Een van de bekendste vormen van jongerentaal is straattaal. Herkennen en gebruiken jongeren van nu de straattaal uit de jaren negentig nog? Ja! Woorden als patta’s en osso zijn nog steeds hip.
Het Nederlands komt in heel veel kleuren en smaken. Hoewel iedereen op school Standaardnederlands leert, en dit ook de taal is die je meestal hoort in de media en bij de overheid, spreken veel mensen in het dagelijks leven een informele omgangstaal. Bijvoorbeeld een dialect dat hoort bij een bepaalde streek of een sociolect: een taal die hoort bij een sociale groep, zoals jongeren, studenten, voetballers of influencers. Mensen denken vaak dat jongerentaal heel vluchtig is, een modeverschijnsel. Deels klopt dat ook. Iedere generatie heeft namelijk eigen trends in taal, net als in kleding, muziekstijl en vrijetijdsbesteding. Samen vormen die trends een jeugdcultuur waarmee je ‘erbij hoort’ en waarmee je je kunt afzetten tegen volwassenen.

Iedere generatie heeft namelijk eigen trends in taal, net als in kleding, muziekstijl en vrijetijdsbesteding.
drrobotdean via FreepikModegevoelig?
Hoewel jongerentaal gevoelig is voor vernieuwingen, lijken er ook elementen in te zitten die langere tijd stabiel blijven. Samen met mijn collega’s Khalid Mourigh en Stef Grondelaers deed ik hier onderzoek naar. We richtten ons op straattaal, en dan met name op de bekendste woorden uit de jaren negentig, zoals pasen (‘geven’), chickie (‘meisje, lekker wijf’) en jonko (‘joint’).
Veel woorden in straattaal komen uit het Surinaams (het Sranantongo), maar bijvoorbeeld ook uit het Marokkaans Arabisch, Berbers, Papiaments, Turks, Spaans en Engels. Het is dus een vrolijke en creatieve mix van allerlei talen (en culturen). Die mengtaal is ontstaan ergens in de jaren tachtig, voornamelijk vanwege de migratie toentertijd en de samenkomst van jongeren met verschillende achtergronden in grote steden, zoals Amsterdam. Khalid sprak al met NEMO Kennislink over de oorsprong en functie van straattaal. Wil je je eigen straattaalkennis testen, dan kun je ook de quiz maken die bij dat artikel hoort.

Kristel en Khalid aan het werk op het Meertens Instituut.
Kristel Doreleijers voor NEMO KennislinkZo’n straattaalquiz slaat ook goed aan op scholen. Mijn collega Khalid en ik bezoeken allebei middelbare scholen om gastlessen te geven. Daar merken we dat veel jongeren bekend zijn met straattaal, en dat ze dit ook een leuk onderwerp vinden om over te praten en te leren.
Toch weten ze zelf niet altijd waar straattaal precies vandaan komt. Ze weten wel dat er veel leenwoorden in straattaal zitten, en dat het dus een mengtaal is van Nederlands met invloeden uit andere talen, maar niet wat de oorsprong daarvan is. Dat is ook een beetje eigen aan jongerentaal: jongeren nemen gemakkelijk over wat ze om zich heen horen van leeftijdsgenoten op school of op sociale media, zonder echt stil te staan bij de precieze betekenis van dat taalgebruik.
Kristel vraagt leerlingen op het Van Maerlantlyceum in Eindhoven welke straattaalwoorden zij het vaakst gebruiken.
Kristel Doreleijers voor NEMO KennislinkOnderzoek op scholen
Toch heb je de jongeren nodig als je meer wilt weten over hoe jongerentaal klinkt en werkt. Bij het Meertens Instituut in Amsterdam, waar wij ons onderzoek uitvoeren, hebben we daarom een Jongerenpanel opgericht voor wetenschappelijk onderzoek.
In dat panel zitten jongeren van zestien jaar en ouder van verschillende middelbare scholen in Nederland, Vlaanderen en Curaçao. Zij kunnen in de klas meedoen aan ons onderzoek, bijvoorbeeld door een vragenlijst in te vullen. Bij elke vragenlijst sturen we hun docent Nederlands ook lesmateriaal mee, zodat die het onderwerp verder kan bespreken in de les. Op die manier slaan we twee vliegen in één klap: we verzamelen nuttige gegevens over de taal van jongeren én we laten jongeren kennismaken met taalwetenschap.
Via het Jongerenpanel hebben we getest of jongeren de bekendste straattaalwoorden uit de jaren negentig nog herkennen en gebruiken. We schreven er een artikel over voor Onze Taal, dat je hier kunt lezen. We hebben ontdekt dat straattaal niet meer is beperkt tot de grote steden, maar dat de taal zich door heel het land heeft verspreid. Zowel jongens als meisjes, met en zonder meertalige achtergrond, herkennen en/of gebruiken straattaalwoorden. Soms een beetje voor de grap, maar zeker ook als een serieuze omgangstaal met een stoer randje.
In de media
Dat straattaal zo’n geliefd onderwerp is, merkten we na onze publicatie aan de vele verzoeken uit de media. Grote, landelijke kranten als de De Volkskrant en De Telegraaf schreven erover, en ook de NOS wijdde er een nieuwsbericht aan. Ik was te gast in het ochtendjournaal op NPO Radio 1, waar ik met Astrid Kersseboom in gesprek ging, en EditieNL maakte een leuk item waar ook het radiostation FunX aan meewerkte.
Kristel gaf bij EditieNL uitleg over het straattaalonderzoek.
Voor een onderzoeker is dat natuurlijk de gedroomde impact: als je onderzoek zo ‘landt’ in de samenleving, bereik je met je inzichten veel mensen. In het geval van straattaal levert dat vooral een genuanceerdere kijk op taalvariatie op: mensen die zelf geen straattaal spreken of bang zijn dat het ten koste gaat van het Nederlands, krijgen meer oog voor de positieve kanten ervan. Of om het in straattaaltermen te zeggen: dat straattaal niet skeer (‘armoedig’) is, maar juist lit (‘geweldig’). Het is een vorm van Nederlands die je vanuit maatschappelijke ontwikkelingen kunt verklaren, en die taalkundig ontzettend rijk, creatief en sociaal waardevol is.
Straattaal voor iedereen
Extra mooi vond ik de filmpjes die opdoken van mensen die zelf het initiatief namen om ons onderzoek na te doen. Ze gingen de straat op en legden jongeren en ouderen de straattaalwoorden voor die we ook in ons onderzoek hadden getest. Dat leverde meteen interessante discussies op. Zou je het gebruik van andere woorden in het Nederlands wel straattaal moeten noemen, bijvoorbeeld? En is het voor oudere mensen gepast om straattaal te gebruiken?
OPEN Rotterdam ging de straat op en vroeg mensen naar hun straattaalkennis.
Zulke filmpjes laten zien dat taalonderzoek heel toegankelijk kan zijn én dat je elkaar ook beter leert begrijpen als je interesse toont in elkaars taalgebruik. Als je naar osso gaat in plaats van naar huis en als je nieuwe patta’s koopt in plaats van schoenen, ben je zelf misschien ook wel (een beetje) een straattaalspreker. Maar ook als straattaal voor jou een ver-van-je-bed-show is, kan het geen kwaad om je er soms even voor open te stellen. Taalvariatie is er niet voor niets, en straattaal is hier om te blijven, dus wie weet steek je er zelf nog wat van op!

