Elk jaar overlijden nog altijd miljoenen kinderen voor hun vijfde levensjaar. Toch is de kindersterfte de afgelopen tientallen jaren spectaculair gedaald. Hoe komt dat?
Michael Boele van Hensbroek herinnert zich het nog goed: een moeder kwam het ziekenhuis binnen met een doodzieke peuter van drie in haar armen. Het kind was in een diepe coma en had stuiptrekkingen. Hij reageerde nergens meer op. De moeder had eigenlijk al afscheid genomen van haar zoontje, want ze was ervan overtuigd dat hij het niet zou overleven.
Het was 1994 en Boele van Hensbroek werkte als jonge arts in de Gambia. Hij deed er onderzoek naar hersenmalaria, een ernstige vorm van de tropische ziekte malaria, vaak met dodelijke afloop. Hersenmalaria kwam in die tijd veel voor: Boele van Hensbroek en zijn collega’s namen in de Gambia alleen al in twee jaar tijd zeshonderd kinderen met hersenmalaria op in het ziekenhuis; bijna een per dag.
De peuter had geluk. Hij kreeg medicijnen en knapte op. “De volgende dag zat hij rechtop in bed een appel te eten. Kinderen kunnen soms wonderbaarlijk goed herstellen.” Tegenwoordig komen hooguit twee kinderen per week met hersenmalaria het ziekenhuis binnen. “Een wereld van verschil”, zegt Boele van Hensbroek, inmiddels kinderinfectioloog en hoogleraar Global Child Health bij Amsterdam UMC.
Succesverhaal
Wereldwijd is de kindersterfte enorm afgenomen: in 1990 overleden jaarlijks 12,5 miljoen kinderen vóór hun 5e levensjaar. In 2024 waren dat er nog ‘maar’ 4,9 miljoen, blijkt uit cijfers van Unicef. Die kinderen wonen voornamelijk in India, Pakistan en in sub-Sahara-Afrika. In Senegal, in West-Afrika, stierven er van iedere 1000 kinderen die geboren werden in 1950 nog bijna 400 voor hun 5e verjaardag, inmiddels zijn dat er nog maar 70 per 1000. Ter vergelijking: in de EU halen slechts 4 van de 1000 kinderen de 5 jaar niet.
De dalende kindersterfte in ontwikkelingslanden zou je gerust een groot succes kunnen noemen, maar we zijn er nog lang niet. Dit succes is niet zomaar vanzelf gegaan, vertelt Boele van Hensbroek in zijn werkkamer op de 7e verdieping van het Emma Kinderziekenhuis van Amsterdam UMC, die uitkijkt over Amsterdam.
Grote killers
Frustrerend noemt hij het, om mee te maken dat een kind sterft terwijl dat niet had gehoeven. Hij pakt de cijfers erbij van de belangrijkste doodsoorzaken van jonge kinderen in Afrika zo rond de eeuwwisseling. Longontsteking, diarree, malaria, AIDS. “Dat hoort niet hè, een kind van jonger dan vijf jaar met AIDS. Dat is heel goed te voorkomen, ook als de moeder de ziekte heeft.” Ook de andere grote killers, zoals Boele van Hensbroek de infectieziekten noemt, zijn vrij eenvoudig te voorkomen.
Nóg een belangrijke doodsoorzaak: sterfte onder pasgeboren baby’s. Dat is een grote hap uit de taartfiguur die Boele van Hensbroek laat zien. In veel Afrikaanse landen beneden de Sahara overleeft van de kinderen die sterven voor het eerste levensjaar, tweederde van de pasgeboren kinderen niet eens de eerste maand. De helft daar weer van sterft zelfs op de dag van de geboorte.
— Michael Boele van HensbroekDe winst zit hem niet alleen in betere zorg voor de kinderen, maar ook in investeren in de moeders
Die baby’s gaan niet dood aan het baby zijn. Maar wat die hele kleintjes de das om doet, zijn vooral vroeggeboorte, zuurstoftekort tijdens de geboorte, en bloedvergiftiging. “Problemen bij de bevalling dus”, vertelt Boele van Hensbroek. Dat komt vaak door de gebrekkige gezondheidszorg die vrouwen krijgen tijdens de zwangerschap en de bevalling.
Winst
Aan beide problemen valt zeker iets te doen. “Met het terugdringen van infectieziekten door de introductie van vaccins tegen veelvoorkomende kinderziekten is al veel winst behaald, en is de kindersterfte sinds 1990 met de helft gedaald.”
Eerst waren dat vaccins tegen de virussen die kinderziektes veroorzaken, zoals de mazelen en polio. Later kwamen daar inentingen tegen ziekteveroorzakende bacteriën bij, zoals difterie, tetanus en kinkhoest. Veel van die ‘gewone’ kindervaccinaties werden vanaf 1974 grootschalig ingevoerd. In de grafiek die Boele van Hensbroek laat zien, duikt de lijn van kindersterfte vanaf dat moment steil omlaag.
En in 2021 werd het eerste malariavaccin (Mosquirix of RTS,S), dat al sinds 1987 in ontwikkeling was, officieel aanbevolen. Twee jaar later kwam daar een tweede vaccin bij (R21/Matrix-M). Een van de redenen dat malariavaccins zo lang op zich hebben laten wachten, is dat malaria veroorzaakt wordt door een parasiet. “Virussen zitten biologisch veel eenvoudiger in elkaar, dus daar kun je makkelijker een vaccin tegen ontwikkelen. Bacteriën begrijpen we ook vrij goed. Maar parasieten zijn veel groter en lastiger.”

Door kinderen te vaccineren tegen bijvoorbeeld mazelen of difterie werd veel kindersterfte voorkomen.
Wavebreak Media, via Magnific.comToch denkt Boele van Hensbroek niet dat huidige malariavaccins een enorm verschil zullen maken in de kindersterfte. “Die zijn maar tussen de 40 en 75 procent effectief. Dat is veel minder dan vaccins tegen bacteriën en virussen, die 95 of zelfs 99 procent bescherming bieden.”
Meer dan geneeskunde
Het is dan ook zeker niet alleen de medische vooruitgang die de kindersterfte deed dalen. Malaria is weliswaar nog steeds een belangrijke doodsoorzaak, maar bestrijding van de malariamug is ook behoorlijk effectief gebleken. Dat is vooral zo in gebieden waar de mug al moeite had om te overleven. “Daarnaast slapen kinderen vaker onder een klamboe, want die mug prikt vooral in de avond en ‘s nachts. Tijdens het malariaseizoen krijgen kinderen pillen om malaria te voorkomen. En ten slotte is er betere behandeling van malaria als ze het toch oplopen.”
Ook op andere manieren ligt de grote winst buiten de geneeskunde. De winst zit ‘m bijvoorbeeld in investeren in moeders, die dankzij microkredieten economisch zelfstandiger worden en vaak minder kinderen krijgen die bovendien gezonder opgroeien. Of in projecten waarbij moeders geld krijgen via credits op hun telefoon, waar hun man niet bij kan. “Daarmee kunnen ze zorg betalen voor zichzelf en hun kinderen. Moeders maken daarin vaak veel serieuzere keuzes dan hun echtgenoten”, zegt Boele van Hensbroek.
Onderwijs
Beter onderwijs is nog zo’n motor achter grotere welvaart en dus ook lagere kindersterfte. “Onderwijs is superbelangrijk voor het op de juiste manier interpreteren van de oorzaken van ziekte en wat je eraan moet doen.” Boele van Hensbroek geeft een voorbeeld van de invloed van culturele gebruiken daarop. “Als een kind stuiptrekkingen krijgt, denken de ouders algauw aan een beheksing door een ‘witch doctor’ die is ingehuurd door iemand, bijvoorbeeld de buurman met wie de familie ruzie heeft, en die de familie kwaad wil doen. Ze gaan dan naar een andere medicijnman voor een tegenvloek. Maar de kans is groot dat een stuiptrekkend kind een levensbedreigende ziekte heeft zoals een hersenvliesontsteking of hersenmalaria.”
Vanwege de culturele verschillen moet je dus goed samenwerken, vindt Boele van Hensbroek. In de Gambia kende hij een kinderarts die onderhandelde met medicijnmannen. “’Als ik iemand heb met chronische hoofdpijn zonder lichamelijke oorzaak, stuur ik ze naar jou door’ zei ze dan. ‘Maar dan moet jij de kinderen met stuiptrekkingen naar mij sturen.’” Hoe meer onderwijs mensen gevolgd hebben, hoe minder ze geloven in dit soort soms gevaarlijke gebruiken.
Het onderwijs is in veel Afrikaanse landen sowieso behoorlijk verbeterd, ziet Boele van Hensbroek. Waar Afrikanen voorheen vooral naar Europa of de VS gingen voor hun artsenopleiding, leiden veel landen nu zelf hun artsen op. Ook zijn in veel landen inmiddels goede netwerken van ziekenhuizen en klinieken ontstaan, al kampen die wel vaak met tekorten aan materiaal en medicijnen.

Tegenwoordig worden Afrikaanse artsen ook veel in hun eigen landen opgeleid, er zijn inmiddels goede netwerken van ziekenhuizen en klinieken.
ASphotofamily. via Magnific.comHoop
Maar hoeveel vaccins en klinieken er ook zijn, er gaan nog steeds te veel kinderen dood aan vermijdbare oorzaken. Vooral het aantal kinderen dat nog geen maand overleeft, daalt nog niet hard genoeg. Zij zijn nog te klein voor vaccins en vooral de zorg voor de moeders tijdens zwangerschap en geboorte moet beter. Wat in sommige gebieden daarbij niet meehelpt, is oorlog. “Conflicten torpederen alle publieke voorzieningen, zoals nu in Zuid-Soedan of Jemen. Dat is een ramp voor de gezondheidszorg.”
Toch heeft Boele van Hensbroek goede hoop dat de kindersterfte nog verder omlaag zal gaan, omdat eerdere maatregelen gewerkt hebben en veel doodsoorzaken nog altijd vermijdbaar zijn. “Het kán wel. Dat is niet alleen een kwestie van hoop. Hoop is een werkwoord; je moet er wel wat voor doen.”

