In ‘De auto, de geit en de wiskunde’ omarmen Jan Beuving en Ionica Smeets het wiskundige driedeurenprobleem op 99 verschillende manieren. Dat heeft geleid tot een origineel en afwisselend boek vol humor, creativiteit en taalkunst.
Het driedeurenprobleem. Drie deuren, twee geiten, één auto. Blijf je bij je keus of wissel je van deur? De eerste keer dat ik hierover hoorde, stond ik versteld. De vraag is zo simpel, en toch druist het goede antwoord volledig tegen je intuïtie in.
Sindsdien ben ik het probleem heel vaak tegengekomen. In artikelen, films, scheurkalenders, theatershows – in populairwetenschappelijke kringen kun je er niet omheen. En dus is mijn oorspronkelijke belangstelling ervoor wat afgezwakt. Jaha, het is beter om van deur te wisselen, nou weet ik het wel.
Voor cabaretier Jan Beuving en hoogleraar wetenschapscommunicatie Ionica Smeets, beide wiskundige, zijn de drie deuren nog veel afgezaagder dan voor mij. Toch heeft het tweetal er een heel boek aan gewijd: ‘De auto, de geit en de wiskunde’.
Een gewaagde keus: een boek over een wiskundig probleem dat voor insiders nogal uitgekauwd is en voor outsiders juist moeilijk behapbaar kan zijn. Maar door de originele benadering en geniale uitwerking pakt die keus geweldig uit.
Taaltrucs
Het boek is geïnspireerd op ‘Exercices de style’ van Raymond Queneau. Daarin vertelt de Fransman 99 keer hetzelfde verhaal, telkens in een andere stijl. Iets soortgelijks doen Beuving en Smeets met het driedeurenprobleem: dat komt 99 keer in totaal verschillende gedaanten terug.
Vaak halen de auteurs daarbij allerlei taaltrucs uit, die doen denken aan taalkunstenaars als Drs. P en Battus. Zo is er een uitleg van het probleem met allemaal alliteraties, eentje zonder de letter e en eentje waarbij elk zelfstandig naamwoord is vervangen door zijn voorganger in het woordenboek – de presentator wordt bijvoorbeeld een presbyteriaan en de deur een deukhoed.
In andere hoofdstukken zijn de drie deuren wat minder prominent aanwezig. Daarin laten de auteurs hun fantasie de vrije loop en nemen ze allerlei genres op de hak. Zo is er een detectiveverhaal over iemand die in de zojuist gewonnen auto is verongelukt, een toneelstuk in de stijl van Tsjechov, een test-jezelf, een variant op een bijbeltekst en zelfs een IKEA-achtige handleiding.
De auteurs geven niet prijs wie welk hoofdstuk heeft geschreven. Ik kan het dus mis hebben, maar ik denk de stem van Beuving vooral te herkennen in de grappige, absurde en soms ook ontroerende verhalen. De hand van Smeets zie ik met name terug in de raadsels en puzzels. Maar bij lang niet elk hoofdstuk kan ik met meer dan 50 procent zekerheid zeggen welke auteur zich achter de deur bevindt – wat aangeeft dat de twee goed op één lijn zitten.
Kapstok
99 keer zo’n kunstje uithalen, blijft dat leuk? Dankzij de grote variatie is mijn antwoord volmondig ja. Het plezier waarmee de auteurs het boek gemaakt hebben, spat van begin tot eind van de pagina’s af. En doordat het driedeurenprobleem vaak slechts op de achtergrond meespeelt, krijg je nooit het gevoel dat de geit wordt uitgemolken.
Tijdens het lezen betrapte ik mezelf erop dat ik zelfs weer over de wiskunde achter het probleem ging nadenken. Ik weet nu weer waarom ik het ooit zo fascinerend vond: je hersenen begeven zich op dat prikkelende grensvlak tussen iets wel en niet begrijpen.
Een fijne bijkomstigheid, maar eigenlijk draait ‘De auto, de geit en de wiskunde’ helemaal niet om wiskunde. Het driedeurenprobleem is voor Beuving en Smeets slechts een kapstok met 99 haakjes, waaraan ze hun creativiteit, taalgevoel en humor kunnen ophangen. En daar zijn ze grandioos in geslaagd.

