Een nare opmerking, een duw of kinderen die je buitensluiten: gemiddeld worden vier kinderen per basisschoolklas gepest. Sinds eind jaren zeventig zijn er programma’s tegen, maar wat leverde dat op?
Pak eens een a4’tje en verkreukel het tot een bal. Vouw het blaadje nu weer uit en probeer het glad te strijken. Je zult merken: hoe erg je ook je best doet, het blaadje zal nooit meer naar de originele staat teruggaan. Misschien herken je deze oefening wel van je eigen basisschooltijd. Het doel? Kinderen laten zien dat pesten voor de rest van je leven impact heeft.
Deze oefening is slechts een van de vele manieren om pesten onder de aandacht te brengen bij kinderen. Minne Fekkes is bijzonder hoogleraar Sociale vaardigheden en weerbaarheid, en promoveerde op de effectiviteit van anti-pestprogramma’s. Hij neemt ons mee in de inzichten uit zijn vakgebied, dat zijn oorsprong kent bij de Scandinavische anti-pest pionier Dan Olweus.
Belangrijke schakel
“Olweus bracht eind jaren zeventig als een van de eersten een boekje en een interventieprogramma uit met theorie en praktische tips om pesten te stoppen. Ook gaf hij een definitie van pestgedrag die we nog steeds gebruiken; pesten is agressief, intentioneel gedrag dat herhaaldelijk gebeurt en waarbij er sprake is van ongelijkheid in macht”, vertelt Fekkes. Het anti-pestbeleid van Olweus kreeg veel navolging. De interventie richtte zich op vier groepen: pestkoppen, meelopers, slachtoffers, en verdedigers.
De programma’s uit de begintijd richtten zich vaak op slachtoffers, vertelt Fekkes. “Gepeste kinderen moesten een weerbaarheidscursus doen om sterker in hun schoenen te staan. Het is natuurlijk goed om iemand te ondersteunen om sterker te worden, maar daarmee werd de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer gelegd, terwijl juist de pester moet leren om ander gedrag te vertonen.”
Omstanders vervullen geen actieve rol, maar vormen een belangrijke schakel in het groepsproces
De volgende grote verandering in het onderzoeksgebied kwam in 1996 door de Finse onderzoekster Christina Salmivalli. “Naast het kamp van het slachtoffer, de pester en hun medestanders, onderscheidde ze nog een vijfde groep: omstanders (bystanders). Dit zijn de kinderen die het pesten zien of weten dat het gebeurt, maar zelf niet meedoen of slachtoffer zijn. Hoewel ze geen actieve rol vervullen, vormen ze een belangrijke schakel in het groepsproces”, vertelt Fekkes. Onbewust dragen ze namelijk bij aan het pestgedrag. “Pesters zien het gedrag van omstanders als goedkeuring of aanmoediging; wie zwijgt stemt toe. Ook voor slachtoffers kan het extra pijnlijk zijn als klasgenoten hen niet steunen.”
Sociale ladder
Tegenwoordig is de theorie over pesten nog verder uitgebreid met nieuwe elementen, omdat er steeds meer bekend is over de redenen waarom kinderen pesten. Fekkes ziet de theorieën over de oorsprong van pesten als aanknopingspunten voor knoppen waar de makers van anti-pestprogramma’s aan kunnen draaien. Deze theorieën over pesten kunnen naast elkaar bestaan en elk op hun eigen manier een verklaring vormen voor pestgedrag, legt Fekkes uit.
De eerste theorie komt vanuit evolutionair denken, aldus Fekkes. “Mensen willen sociaal hogerop komen en populair worden. Dat is aangeboren, omdat het je overlevingskansen vergroot als je hoger op de sociale ladder staat. Je hebt dan bijvoorbeeld meer toegang tot voedsel, een betere slaapplek. De neiging om op te klimmen hebben we nog steeds, en sommige mensen doen dat ten koste van anderen.”

Kinderen pesten anderen om verschillende redenen; bijvoorbeeld omdat het ze populair maakt, of omdat ze het pesten hebben aangeleerd als normaal gedrag.
The Yuri Arcurs Collection, via Freepik.comTen tweede zijn we gevoelig voor groepsnormen. “In sommige groepen heerst er een norm waarbij pestgedrag je populair maakt, terwijl in andere groepen prosociaal gedrag juist meer gewaardeerd wordt.” Bovendien kan pestgedrag aangeleerd zijn. “Kinderen leren thuis of op school hoe ze met anderen om moeten gaan. Het kan zijn dat ze opgroeien in een agressieve cultuur, waardoor ze leren dat pestgedrag normaal is.”
De laatste theorie is een meer cognitieve interpretatie van gedrag. “Sommige kinderen zien gedrag sneller als vijandig dan anderen. Dit heet een hostile intention bias en kan voortkomen uit eerdere ervaringen.”
Betekenisvolle rollen
In eerste instantie draaiden programma’s vooral aan de knop ‘groepsnormen’, door kinderen te leren welk gedrag wel en niet hoort. Hoewel dit nog steeds een belangrijke pijler van interventies is, ziet Fekkes dat er tegenwoordig meer aandacht is voor de behoefte aan een dominante rol bij pesters. “Het idee erachter is dat je normen en attitude kan vervangen, maar dat je niet iemands aangeboren drang naar dominantie of populariteit kan afleren.”

Om pesten te voorkomen, kan je basisschoolleerlingen een rol geven die past bij hun statusbehoeftes en talenten.
FreepikHet is echter wél mogelijk om de behoefte om te buigen naar iets positiefs. Daar speelt de interventie SterkWerk op in. In dit programma, dat is ontwikkeld door sociologen van de Rijksuniversiteit Groningen, krijgen basisschoolleerlingen betekenisvolle rollen die beantwoorden aan de (status)behoeftes en talenten van kinderen. Een pestkop die graag leidinggeeft, kan de rol van gastheer of gastvrouw krijgen. Andere rollen zijn bijvoorbeeld die van de klassentelefonist of plantenverzorger. Daarnaast leren de kinderen elkaar complimenten geven om het positieve groepsgevoel te versterken.
Individuele leerlingen
Antipestprogramma’s zijn bewezen effectief, stelt Fekkes. Dat is natuurlijk fantastisch nieuws, maar nog niet het einde van het verhaal. Uit onderzoek blijkt namelijk dat slachtoffers die in een klas zitten waar verder weinig gepest wordt, meer negatieve mentale problemen ervaren dan slachtoffers in een omgeving waar veel gepest wordt. Slachtoffers voelen zich zelfs slechter als het pesten in de klas vermindert. Dit heet de healthy context paradox, vertelt Fekkes.
“Kinderen zien dat er een norm is dat er niet gepest hoort te worden en dat kinderen voor elkaar opkomen, maar dat die niet op hen van toepassing is. Daardoor voelt pestgedrag extra pijnlijk”, verklaart hij. Het is daarom belangrijk om niet alleen het welzijn op groepsniveau in het oog te houden, maar ook naar individuele leerlingen te blijven kijken.
Kans voor de toekomst
Fekkes benadrukt dat het aanpakken van pesten berust op voortschrijdend inzicht. De inzichten van vier decennia geleden zijn nog steeds leidend, maar zijn nu aangevuld met nieuw onderzoek. Anti-pestprogramma’s bevatten daarom meestal een veelvoud aan elementen. “We proberen kinderen weerbaar te maken, groepsnormen te veranderen en empathie te vergroten. Daarnaast maken we kinderen bewust van het groepsproces en geven we kinderen alternatieve, betekenisvolle rollen. Ook zorgen we ervoor dat leerkrachten beter en sneller ingrijpen en daar ook vaardiger in worden”, somt hij op.
Anti-pestprogramma’s zijn al effectief, laat onderzoek zien, maar er is altijd ruimte voor verbetering. Waar liggen volgens Fekkes kansen voor de toekomst? “Misschien dat groepscohesie nog een knop is waar meer aan gedraaid kan worden”, stelt hij voor. “Het zou mooi zijn als we kinderen vriendelijker met elkaar om kunnen laten gaan door een gezamenlijke identiteit als klas. Ik ben heel benieuwd wat voor effect het heeft als kinderen zich onderling meer met elkaar verbonden voelen.”

