Naar de content

‘Geef daklozen eerst een thuis, dan volgt de rest’

Jan van der Wolf via Pexels.com

Dakloosheid is een groeiend, maar vaak onzichtbaar probleem in Nederland. Toch ligt de oplossing binnen handbereik, weet onderzoeker Nienke Boesveldt. Al jarenlang is zij de schakel tussen beleid, zorg en de daklozen zelf.

9 januari 2026

Als mijn huisgenoot en ik iets voor zes uur bij de Utrechtse daklozenopvang aankomen, staat er al een flinke groep mensen voor het hek. De kantine gaat over vijf minuten open, en met de winterse temperaturen kunnen ze niet wachten om even op te warmen met een kopje koffie. 

Wij komen een handje helpen met de avondmaaltijd. Vanuit de industriële keuken zien we hoe de kantine steeds voller loopt. Aan de middelste tafel zit een groep Poolse arbeidsmigranten. Naast het raam zijn drie Arabische mannen in discussie en verderop zitten twee Nederlandssprekende jongens met een grote winterjas aan, capuchon op, een sjekkie te draaien terwijl techno-muziek uit hun mobiel klinkt.

Toen ik opgroeide en onverzorgde daklozen in de stad zag, dacht ik altijd dat ze gewoon ‘bestonden’. Dat ze er zelf voor kozen, zelfs. Ondertussen weet ik: dakloos ben je niet, dat wórd je. Het bewijs zit in de kantine: een man in nette kleding die op zijn Macbook werkt en de zzp’er die in een bevlekte schildersoverall binnenloopt na een dag werken. Deze mensen hadden tot voor kort een dak boven hun hoofd, een ‘normaal’ leven. Hoe komen ze dan toch op straat terecht? En wat voor toekomstperspectief heeft zo iemand in het Nederlandse systeem?

Landelijk beeld

Voor een antwoord maak ik soms een praatje met mensen in de kantine. Maar dat verbleekt bij het werk van dakloosheid-onderzoeker Nienke Boesveldt. Voor haar onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en daarvoor aan de UvA, voert zij met haar team al jarenlang gesprekken met meer dan 600 daklozen, om de realiteit in kaart te brengen.

Als je Boesveldt vraagt hoe groot het probleem dakloosheid is, krijg je een nieuw probleem terug: dat weten we niet precies. Daklozen leven buiten het systeem, dus het probleem is per definitie onzichtbaar. Het CBS komt elk jaar met een telling, in 2024 waren het er 33 duizend, een toename sinds 2023. “Maar zij tellen alleen mensen die gebruik maken van noodbedden of een gemeentelijk briefadres, terwijl veel daklozen ook bij vrienden op de bank slapen, of in hun auto. Dakloos ben je namelijk als je simpelweg niet weet waar je de volgende nachten slaapt.” Een realistischer getal is dus hard nodig. Boesveldt maakte daar werk van door lokale tellingen uit kleine én grote gemeenten door te rekenen naar een landelijk beeld. Volgens deze methode telt Nederland minstens 80 duizend daklozen.

Als onderzoeker aan de Vrije Universiteit Amsterdam specialiseert Nienke Boesveldt zich in dakloosheid. 

Universiteit Utrecht

Dit betekent niet dat er 80 duizend mensen op een parkbankje slapen. Deze stereotype – en meest zichtbare – vorm van dakloosheid gaat maar voor een klein groepje op, verheldert Boesveldt. “Er zit een lang proces tussen je huis verliezen en dat eindstation. Stel bijvoorbeeld dat je door een scheiding je huis uit moet. Eerst zoek je hulp bij je familie en vrienden. Maar op een gegeven moment durf je geen hulp meer te vragen. Je voelt je steeds meer bezwaard over je situatie en slaapt liever op een noodbed dan weer bij die kennis aan te bellen. Vanaf dat moment raakt een stabiel leven steeds verder buiten bereik.” Hetzelfde geldt voor zorgbehoevende jongeren of mensen met een verslaving of psychische problemen die buiten de zorg zijn gevallen.: hoe langer je in een noodoplossing leeft, hoe verder de echte oplossing is én voelt.

Grote afstand

Als onderzoeker brengt Boesveldt dat proces in kaart. Dakloosheid is een complex geheel van instanties, beleid, regels en uitzonderingen. Dé dakloze bestaat niet, want ieders situatie is uniek, en de aanpak verschilt tussen gemeentes. Als je wil weten of je beleid werkt, is het dus extra belangrijk om te peilen bij de individu in kwestie – de dakloze.

Blinde vlek van het CBS

Het CBS baseert zich op verschillende registers om een schatting te maken van het aantal dak- en thuislozen in Nederland. Zij kijken bijvoorbeeld naar wie gebruik maakt van de noodopvang, en hoeveel mensen bij de gemeente hebben aangegeven dat ze geen vast woonadres hebben. Maar er zijn ook mensen die niet in die registers voorkomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om uitgeprocedeerde asielzoekers of mensen die op de een of andere manier illegaal in Nederland verblijven. Daarnaast gaat het ook om jongeren onder de 18 en 65-plussers. Vanwege hun leeftijd hebben zij namelijk geen recht op een bijstandsuitkering voor adresloze mensen, waardoor ze ook niet voorkomen in de registers. Deze mensen blijven dus onzichtbaar voor het systeem, en worden niet meegenomen in de schatting. 

Maar juist dat contact ontbreekt, weet Boesveldt uit haar tijd als beleidsmaker bij de Gemeente Amsterdam. “Ik verzamelde data over daklozenbeleid. Ik kon vertellen hoeveel bedden of trajecten we hadden gefinancierd, maar niet hoeveel mensen we daar nou eigenlijk mee bereikten. Ter vergelijking: als je een uitkering krijgt, praat je als burger direct met een ambtenaar die jou beoordeelt. Maar als dakloze praat je met een maatschappelijk werker, die niet voor de gemeente maar een organisatie werkt. Dat vergroot de afstand tussen burger en beleidsmaker.” Beleidsmakers zijn zelf ook niet blij met die afstand, dus het werk van Boesveldt is erg welkom bij de gemeentes. Als wetenschapper verbindt zij de keuzes van hogerop aan de ervaringen van de daklozen.

Strenge handhaving

Om die ervaring vast te leggen voert Boesveldt gesprekken. Heel veel gesprekken. Sinds 2018 spraken zij en haar team meer dan 600 daklozen in uur-lange interviews. Dat zijn geen momentopnames; het doel is juist om de individu te volgen, over een periode van vijf jaar, om hun proces binnen het systeem te begrijpen. “We beginnen simpel: hoe gaat het met je? Waar zijn we nu eigenlijk? Dat kan een opvangplek zijn, of in iemands eigen huis. Waar heb je het afgelopen jaar verbleven? Heb je contact met mensen die jou ondersteunen? Hoe verloopt dat contact? Waar komt je inkomen vandaan? Schulden vragen we ook naar, maar dat wordt al een moeilijker gesprek.”

Het is op dat soort momenten – een vraag naar schulden of bijvoorbeeld verslaving – dat de onderzoeksmethode haar kracht toont. De wetenschappers voeren de gesprekken namelijk niet alleen, maar zij-aan-zij met ervaringsdeskundigen. Mensen die zelf dakloos zijn geweest en zich hebben laten opleiden tot interview-onderzoeker. Daklozen schamen zich vaak en voelen misschien een afstand tot de onderzoeker tegenover zich. Maar als er iemand naast zit die, zoals ervaringsdeskundige Robbert Brouwer in een video van de UvA vertelt, kan zeggen “Ik heb ook op de straat geleefd en zes dagen m’n ondergoed aangehouden”, voelen ze zich comfortabeler. Ze vertellen meer en eerlijker.

Jonge vrouw op een bankje in een park met een rugzak en thermosfles.

Daklozen krijgen veel te maken met vooroordelen en stigma, juist daarom is het belangrijk om te onthouden dat dé dakloze niet bestaat. 

garetsvisual, via Freepik.com

Dankzij de interviews kan Boesveldt problemen in kaart brengen voor de gemeente. “Waar ik in de interviews bijvoorbeeld van schrok, was hoe vaak mensen hun plek in de opvang verloren door kleine overtredingen: te laat binnenkomen, een leugentje, een nacht wegblijven. Daarmee verloren ze niet alleen hun bed, maar ook hun zicht op urgentie voor een woning. De opvangen erkenden dit: door drukte en personeelstekort werd strenger gehandhaafd. De gemeente dacht vooral dat alleen mensen met heftige problemen werden geschorst. Dus dat heeft wel een gesprek op gang gebracht.”

Eerst een thuis

Dit soort bevindingen zijn mooi meegenomen, maar het is niet het hoofddoel van het onderzoek. Dat doel heeft te maken te maken met het Nationaal Actieplan Dakloosheid, dat sinds 2022 als uitgangspunt heeft om daklozen zo vroeg mogelijk in hun proces stabiele huisvesting te geven. “Wij willen van iemand weten: ben jij daar eigenlijk mee bekend? En hoe klinkt dat voor jou, in jouw gemeente? Ze hebben daar vaak zinnige dingen over te zeggen. Daar ben ik vanaf het begin benieuwd naar geweest.”

Dat uitgangspunt, genaamd ‘Eerst een Thuis, komt niet uit de lucht vallen. Het is onderdeel van de internationale beweging ‘Housing First’. Het idee is simpel: geef mensen eerst een huis, dan volgt de rest vanzelf. Op dit moment moet je jezelf als dakloze vaak eerst bewijzen voordat je urgentie voor een huurwoning ‘verdient’: financiën op orde, goed gedrag… ‘Eerst een thuis’ draait het om.

Juist door de onstabiele omgeving van een noodopvang glijden mensen snel af

De nadruk komt op preventie, en dat is de meest effectieve oplossing, vertelt Boesveldt. “Mensen die dakloos worden, hebben meestal nog geen zware problematiek. Maar een noodopvang is een onstabiele en soms onveilige omgeving, en juist daardoor glijden ze keihard af. Je moet ze daar meteen uittrekken.” Experimenten sinds de jaren ’90 in de VS, Canada, Finland en ook Nederland bewijzen keer op keer: dit werkt.

In Boesveldts ideale Nederland is de noodopvang niet meer nodig, en krijgt elke dakloze zo snel mogelijk een voordeursleutel. Dat dit een utopie is in de complexe wereld van gemeentes en beleid, weet ze maar al te goed. Toch blijft ze ernaar streven: “Ik zit op een plek waar ik écht iets aan het probleem kan doen. Daar ben ik blij mee.”

Economische kwestie

Housing First is niet alleen een menselijke oplossing, maar ook een economische oplossing. Eén dakloze kost de samenleving 30.000 tot 85.000 euro per jaar, pleitte straatarts Michelle van Tongerloo eind december in Buitenhof. Boesveldt bevestigt die cijfers. “Een noodopvang kost veel geld, net als de begeleiding en zorg. Maar die behoeftes verdwijnen als je mensen op tijd een stabiel leven biedt.” Berekeningen laten zien dat één euro die je investeert in preventie en oplossing, in plaats van noodoplossingen, gemiddeld 2,5 euro oplevert.