Naar de content

Hoe de Rijn de grens van het Romeinse Rijk werd

Archeoloog Stephan Mols over leven aan de limes

Agustin, via Magnific.com

Op 6 juni opent Valkhof Museum in Nijmegen de deuren weer. Een van de aandachtspunten van het museum is de grens van het Romeinse Rijk, net boven Nijmegen. Hoe is die grens daar gekomen?

4 juni 2026

Het is ergens tussen 58 en 52 voor Christus, en de Gallische oorlogen woeden hevig. Julius Caesar dringt, vermoedelijk als eerste Romeinse generaal, door tot wat we tegenwoordig Nederland noemen. Vermoedelijk, omdat er mogelijk eerder al Romeinen op bezoek zijn geweest en omdat we niet weten hoe noordelijk Caesar precies gekomen is, vertelt Stephan Mols. De bijzonder hoogleraar archeologie aan de Radboud Universiteit richt zich op de Romeinse tijd en de Romeinse rijksgrens.

Met de boot naar Mook

Als het leger van Julius Caesar inderdaad Nederland bereikt heeft, is niet duidelijk wat er vervolgens precies gebeurd is. Want de oudste onbetwist Romeinse resten dateren van tientallen jaren later, vervolgt Mols. “Pas in 20 voor Christus stuurt keizer Augustus zijn generaal Marcus Agrippa naar het noorden.” De Romeinen komen met de boot: ze varen over de Maas en gaan bij het huidige Mook aan land, even ten zuiden van Nijmegen. “Het laatste stuk leggen ze af over land.”

De Romeinen vinden een strategische locatie voor hun kamp. “Een stuwwal”, legt Mols uit. Vanaf die verhoging in het landschap hebben ze vrij zicht over de omgeving. Ze overzien de rivier die daar stroomt en de gebieden in het noorden en het oosten. Dat is belangrijk, want daar wonen Germaanse stammen, die bepaald niet op goede voet leven met de Romeinen.

Een Romeinse gezichtshelm uit de tweede helft van de eerste eeuw in een vitrine in het Valkhof Museum.

In het Valkhof Museum zie je allerlei vondsten die de Romeinen achterlieten bij de noordelijke grens van hun rijk, zoals bijvoorbeeld deze gezichtshelm uit de eerst eeuw. 

Ivar Pel voor Valkhof Museum

“Op de stuwwal vinden de Romeinen bovendien een enorme vlakte”, vertelt Mols, “van 700 bij 600 meter”. Dat is meer dan genoeg voor een legioen, oftewel 5000 man. “Een normaal legioenskamp meet 400 bij 400 meter.” Op deze plek, waar tegenwoordig Valkhof Museum staat, beginnen de Romeinen aan de voorbereidingen voor hun kamp. “In 19 voor Christus komt de troepenmacht aan. Er is ruimte voor 15.000 mensen.” Dat zullen niet allemaal militairen geweest zijn, vermoedt Mols. Ook ambachtslieden en handelaren reizen mee, om te zorgen dat de soldaten niets tekort komen.

Verder vechten mislukt

“Het plan is om door te stoten naar het noorden”, vertelt Mols. Augustus heeft het legerkamp laten bouwen om van daaruit het gebied ten noorden van de rivier te veroveren en dan naar het oosten te trekken, tot aan de Elbe, diep in het tegenwoordige Duitsland. “Dat is uiteindelijk nooit gelukt.” De Romeinen steken de Rijn wel over, leggen wegen aan en bouwen zelfs nederzettingen, maar zonder blijvend succes. “Ze hebben toch wat problemen met de Germaanse stammen die er leven”, merkt Mols op. “Augustus slaagt er niet in om vaste voet te krijgen ten noorden en oosten van de Rijn.”

De Romeinen gaan de Rijn steeds meer als de noordelijke grens van hun rijk zien

Ook keizer Tiberius, opvolger van Augustus, lukt het niet om de stammen aan de overkant van de Rijn onder de duim te krijgen. “Keizer Caligula laat forten ten zuiden van de Rijn bouwen”, vertelt Mols. In de loop der jaren bouwen de Romeinen forten bij bijvoorbeeld Duiven, Kesteren en Utrecht, waar de resten nog altijd te zien zijn direct onder het Domplein. Ook het centrum van Woerden is op een Romeins fort gebouwd en bij Alphen aan den Rijn en Katwijk lagen forten. Deze forten zijn niet meer bedoeld als uitvalsbasis voor veroveringen, het zijn verdedigingswerken. De Romeinen gaan de rivier steeds meer als grens van hun rijk zien. Zo ontstaat de ‘limes’, de noordelijke grens van het Romeinse rijk.

Uiteindelijk vormen de forten een keten door het landschap, van Nijmegen tot aan de kust bij Katwijk. Om de ongeveer zes kilometer ligt er een fort. Daartussen staan houten wachttorens. De soldaten bovenin de torens kijken niet alleen naar de omgeving, ze zien ook elkaar. Zo kunnen ze signalen aan elkaar doorgeven, legt Mols uit. “Met vlaggen of vuren bijvoorbeeld of met rook.” Een bericht kan zo snel lange afstanden afleggen. “Er zullen vooral veel berichten van oost naar west gegaan zijn”, vermoedt Mols, vanuit Rome naar alle uithoeken van het rijk, inclusief het tegenwoordige Katwijk, bij Leiden.

Soldaten bouwen dammen

Mols benadrukt dat de limes geen groot grensproject is dat in één keer wordt aangelegd. Het grensgebied krijgt vorm tijdens de opkomst en val van achtereenvolgende Romeinse keizers: Augustus, Tiberius, Caligula, Claudius, Nero… De Romeinen bouwen hun kampen aanvankelijk van hout, maar vervangen de bouwwerken steeds meer door steen. Ze werken daarnaast aan dammen, dijken, kanalen en andere waterwerken. En ze leggen een netwerk van wegen aan in het grensgebied van hun rijk, bij voorkeur kaarsrecht. “Waarschijnlijk deden de soldaten dat werk zelf”, vertelt Mols. Ze hoeven zelden te vechten en kunnen wel een klusje gebruiken. Ook hebben ze bedrijven. “Bij Nijmegen zat bijvoorbeeld een grote pottenbakkerij, waar ze onder andere dakpannen maakten.” Het bedrijf wordt gerund door militairen.

Er strijken niet alleen militairen neer in het gebied ten zuiden van de Rijn. “Bij elk van de legerkampen ontstaan dorpen”, zegt Mols. De diensttijd van Romeinse soldaten duurt 25 jaar, zodat veel mannen hun gezin meenemen. Maar de vrouwen en kinderen zijn niet de enige dorpsbewoners. “Zo’n kamp heeft van alles nodig, dat trekt enorm veel ambachtslieden en handelaren aan.” Ook zij strijken neer in de vici, zoals de levendige dorpen heten. Je vindt er een smid, leerbewerkers en mensen die kleding maken. Maar ook badhuizen en tempels zijn opgegraven en er zullen kroegen geweest zijn.

Een smid houdt een hamer boven een stuk ijzer op een aambeeld.

Met het Romeinse legioen reizen ook allerlei handelaren en ambachtslieden mee, waardoor de limes een levendige grens wordt. 

lobachad, via Magnific.com

Met zo veel mensen op de zuidoever wordt de Rijn niet alleen een handige grens, de rivier vormt ook een belangrijke aanvoerroute. “Er zijn enorme hoeveelheden voedsel nodig”, zegt Mols. Er is wat landbouw in de Betuwe, maar voor grootschalige productie zetten de Romeinen boerderijen op in het zuiden van Limburg, op de vruchtbare lössbodem. “Zo wordt de grens een broeiplaats van activiteiten.”

Warme band met Friesland

Handelswaar gaat ook over de grens, naar het noorden. Er zijn veel Romeinse voorwerpen gevonden in Friesland, wat bewijst dat er warme handelscontacten waren met de Friezen. Andersom weten we dat bijvoorbeeld huiden verhandeld werden van noord naar zuid. “De limes was geen strikte grens”, vermoedt Mols. Goederen en ook mensen konden er makkelijk overheen. “Maar als het nodig was, kon de grens ook gemakkelijk afgesloten worden.”

Door de komst van gezinnen van soldaten, ambachtslieden en handelaren wordt de grens een broeiplaats van activiteit

— Stephan Mols

De limes is niet op één dag ontstaan en net zo min is de grens in één keer verdwenen. Steeds geldt: bij strubbelingen in het centrum van het Romeinse Rijk verslechtert de situatie aan de grens. Bijvoorbeeld doordat keizers militairen weghalen uit het grensgebied omdat ze ergens anders hard nodig zijn. Daarmee trekken ook hun gezinnen weg, plus de toeleveranciers die voor het leger werken.

Germanen en later Franken profiteren van het verzwakkende gezag. Ze steken de limes over en vestigen zich in voorheen Romeinse streken, vooral tijdens de vierde en vijfde eeuw. “In de loop van de vierde eeuw komt de klad er in”, vertelt Mols. Er zijn aanwijzingen dat de grens opschoof naar het zuiden, maar voor al te stellige beweringen daarover is het nog wat vroeg. “Daar wordt nog aan gewerkt.” Één ding is duidelijk: met het verval van het Romeinse Rijk stopt ook de bloeitijd van de limes.