Een hoogleraar die vrijwillig zijn toga inlevert. Het komt zelden voor, maar Onno Crasborn deed het. “Ik heb nu meer impact dan als hoogleraar Nederlandse Gebarentaal.”
Interviews met wetenschappers vinden doorgaans plaats op de universiteit of bij een onderzoeksinstituut, in een rommelig kantoor of een kil vergaderzaaltje. Thuis bij de onderzoeker kom je als wetenschapsjournalist meestal niet. Maar in dit geval kan het niet anders. Gebarentaalexpert Onno Crasborn is namelijk niet meer verbonden aan de Radboud Universiteit, waar hij 22 jaar werkte en sinds 2017 hoogleraar Nederlandse Gebarentaal was.
Twee jaar geleden zegde Crasborn zijn prestigieuze baan op – een zeer ongewone stap in de academische wereld, waar een leeropdracht eigenlijk altijd tot het emeritaat wordt aangehouden.
Dus bel ik op een gure dinsdagmorgen aan bij een rijtjeshuis in Nijmegen, waar de oud-hoogleraar me hartelijk ontvangt. Op de bank ligt zijn partner Bianca onder een dekentje uit te rusten (waarover later meer), de hond blaft me enthousiast toe. Met een schaal vol koekjes gaan we boven in Crasborns werkkamer zitten.
Wanneer begon het hoogleraarschap aan je te knagen?
“Dat weet ik eigenlijk niet precies. Ik merkte vooral dat ik elk jaar moeër werd. Elke kerst en elke zomer had ik meer tijd nodig om tot rust te komen en dat vond ik niet fijn. Ik had alles bereikt wat ik wilde: baas in eigen winkel, een stem in de organisatie. Maar ja, als je dan geen energie meer hebt om daar iets mee te doen, moet je dat dan wel ambiëren?”
Waarop liep je dan precies leeg?
“Eerst dacht ik dat het door de medicatie voor mijn epilepsie kwam, maar om mij heen zag ik ook veel mensen zuchten en steunen. Het drong steeds meer tot me door hoe slecht onderzoekers door de universiteit ondersteund worden, zeker in vergelijking met mensen in het bedrijfsleven. In het gebarentaalonderzoek werk je veel met video en als er een probleem is met de camera, moet je dat zelf maar met de fabrikant oplossen. Ik bestelde zelf m’n kabeltjes, boekte mijn eigen reizen naar congressen. Zo deed ik heel veel dingen die niks met mijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid te maken hadden. Dat deed langzaam het kwartje landen dat ik dit helemaal niet meer wilde.”

Onno Crasborn was van 2017 tot 2025 hoogleraar Gebarentaal aan de Radboud Universiteit.
Onno Crasborn voor NEMO KennislinkWas het dan niet altijd je droom om hoogleraar te worden?
“Nee, eigenlijk niet. Ik heb altijd de luxe gehad dat gebarentaal een ‘sexy’ onderwerp was; maatschappelijk relevant en interessant. Dat maakte het makkelijk om door te klimmen op de academische ladder. En op een gegeven moment is hoogleraar worden dan een logische stap, ook om steeds weer nieuw onderzoek te kunnen doen en andere mensen aan te kunnen nemen om mee te werken. En dat vond ik wel heel leuk aan mijn werk.”
In anderhalf uur helpen we mensen een drempel over om een gesprekje aan te gaan met die dove collega
“Vooral aan het promotieonderzoek van Richard Bank denk ik met veel plezier terug. Zijn proefschrift ging over de rol van gesproken taal in gebarentaal. Samenwerken met hem was het hoogtepunt van al die jaren. Sowieso is het heel leuk om iets uit te zoeken en iets te leren begrijpen.”
Wat betekent je vertrek voor het onderzoek naar gebarentaal?
“Aan de Radboud Universiteit wordt nu bijna geen onderzoek naar gebarentaal meer gedaan. Mijn projecten heb ik afgerond of zijn overgenomen door de universiteiten in Hamburg, Amsterdam en Leiden. Het onderzoek vindt nu veel meer daar plaats en dat is prima. Het zijn toch mensen die het moeten doen. Soms krijg ik nog wel mailtjes met vragen over bijvoorbeeld het Corpus NGT (een verzameling gefilmde dialogen in Nederlandse Gebarentaal, red.), die vind ik nog leuk om te beantwoorden.”
“De Universiteit van Amsterdam werkt nu ook samen met de dovenschool in Rotterdam, dat geeft heel veel meerwaarde. Dan weet je tijdens je onderzoek al dat er gebruikgemaakt van zal worden. En dan kun je ook meedenken over op welke manier dan.”
Miste je die impact van je werk?
“Ja, de gemiddelde wetenschappelijke publicatie wordt door maar een paar mensen gelezen. De weg naar de praktijk is heel lang. Zelfs binnen een klein wereldje als dat van de gebarentaal was het echt niet zo dat alles wat wij ontdekten gelijk in het lesmateriaal belandde. Daar spelen ook andere drijfveren en andere ideeën over hoe het moet.”
En toen leerde je Bianca kennen, die met haar bedrijf Gebarenchallenge veel succes had met het verspreiden van gebarentaal in de maatschappij.
“Precies. In de wetenschap wordt samenwerking met de maatschappij erg gestimuleerd, maar Bianca had helemaal geen behoefte aan bemoeienis van zo’n betweter van een professor. Wel werden we toen verliefd en zo groeide bij mij geleidelijk aan ook het idee om de overstap te maken naar haar bedrijf. Om meer impact te hebben dan ik als hoogleraar had weten te bereiken.”
Wat is jullie missie dan precies?
“We willen dat veel mensen gebarentaal-vaardig worden, op enig niveau. Mijn onderzoek richtte zich vooral op de Nederlandse Gebarentaal (NGT), maar die is voor beginnende leerders heel moeilijk om te leren. NGT heeft een eigen grammatica en woordenschat, en vraagt veel van het lichaam aan mimiek en motoriek. Daarom richten Bianca en ik ons op Nederlands met Gebaren (NmG). We gebruiken zoveel mogelijk elementen uit de gebarentaal om ons gesproken Nederlands visueel te ondersteunen.”
“We geven online gebarencursussen en workshops bij bedrijven, overal waar maar dove of slechthorende mensen werkzaam zijn. Of bij bedrijven die inclusiviteit hoog in het vaandel hebben. In anderhalf uur helpen we mensen een drempel over om een gesprekje aan te gaan met die dove collega. Niet in perfecte NGT, maar met de paar gebaren die je geleerd hebt en met alles wat je verder nog in je hebt. Van dove of slechthorende medewerkers horen we steeds terug dat het daarna gezelliger is geworden op het werk.”

Onno Crasborn en Bianca van der Horst
Onno Crasborn voor NEMO KennislinkVind je het niet vervelend dat het dan niet om echte NGT gaat?
“Kijk, het liefst willen we natuurlijk dat elke Nederlander tweetalig wordt opgevoed, met gebarenliedjes op de kleuterschool en een eindexamen NGT. Maar dat is een heel grote stap. Zeker nu dove en slechthorende kinderen steeds vaker naar het regulier onderwijs gaan, zonder dove rolmodellen om zich heen. Ze krijgen een cochleair implantaat (CI, een gehoorprothese, red.), waarmee ze zich een-op-een best goed kunnen redden, maar elke avond zijn ze kapot van de luisterinspanning. Moe van communicatie. Daarom ligt Bianca nu ook op de bank, nog bij aan het komen van een gezellige familiedag afgelopen zondag. Ook met een CI gaan grapjes aan de andere kant van de tafel langs haar heen.”
“De toekomst van gebarentaal is fragiel. Maar tegelijk is in Nederland tien procent van de mensen in wisselende mate slechthorend. Dat zijn niet alleen maar ouderen, ook jongeren en mensen van middelbare leeftijd horen vaak slecht. Voor hen zou het fijn zijn als er bijvoorbeeld bij de kassa ook een beetje gebaren werden gebruikt. De afgelopen zeven, acht jaar hebben zo’n vijftigduizend mensen Bianca’s cursus gevolgd, dit jaar hebben we ongeveer drieduizend nieuwe deelnemers verwelkomd. Dat zijn toch stapjes waarmee gebarentaal zichtbaarder wordt en dat vind ik heel bevredigend.”

