Naar de content

Knutselen aan DNA: hoe ver zullen we gaan?

Recensie van ‘De mens als God’ door Adrian Woolfson

Freepik, akilmazumder

Wat als we straks niet alleen soorten kunnen redden, maar ook ontwerpen? In ‘De mens als God’ onderzoekt Adrian Woolfson hoe AI en DNA-technologie de toekomst van leven kunnen veranderen.

13 mei 2026

Combineer DNA-onderzoek met kunstmatige intelligentie en je kan niet alleen de dodo of mammoet weer tot leven brengen: we zouden zelfs nieuwe soorten kunnen verzinnen. Een nieuw soort vis bijvoorbeeld, die zo ontworpen is dat hij wél bestand is tegen het nieuwe klimaat. Het klinkt misschien als een sciencefictionfilm waarin ook vliegende auto’s voorbijkomen en Mars bewoond is. Maar in het ruim vierhonderd pagina dikke ‘De mens als God’ zet de Amerikaanse onderzoeker en auteur Adrian Woolfson uitgebreid uiteen hoe de twee vakgebieden elkaar kunnen versterken, en zelfs verrassend veel op elkaar lijken.

Origamikunst en spaghetticodes

Dat doet hij door de lezer mee te nemen op ontdekkingstocht langs de werken van talloze briljante koppen, die vaak hun hele leven wijdden aan wat we nu als één stukje van de puzzel over het leven beschouwen. Van de Turing Machine tot de link tussen AI en gameontwikkeling, en van het conceptuele idee dat er ‘iets’ overerfbaars zou moeten bestaan naar het volledig biologisch herprogrammeren van virussen.

Aan de hand van rake metaforen en pakkende anekdotes neemt Woolfson ons mee langs de vele obstakels die door de tijd heen overwonnen zijn. Zo heeft het vouwen van eiwitten wel wat weg van origamikunst en zijn evolutionaire mutaties eigenlijk hetzelfde als spaghetticodes in programmeertaal. De vergelijking tussen DNA en taal maakt inzichtelijk hoe Large Language Models DNA kunnen ‘lezen’.

Toch is enige biologische voorkennis bij de lezer wel een pre. Hoewel het boek licht van toon is en voorzien van een begrippenlijst, is het geen lichte kost. Voor de wetenschapsgeïnteresseerden onder ons, is dat tegelijkertijd wel lekker. Je kan hierdoor snel de diepte in.

Simpel genetisch alfabet

Door al deze verhalen voelt het boek meer dan een geschiedenisles of ethische waarschuwing om goed om te gaan met onze te verwerven kennis. Het lijkt ook een oproep tot waardering van de vele wetenschappers en levenswerken die geleid hebben tot de kennis van vandaag. En een ode aan de complexiteit van het leven. Zo beschrijft Woolfson lovend dat het opvallendste kenmerk van het leven op aarde ‘de verbluffende verscheidenheid ervan’ is. ‘Van spinnen, kangoeroes, panda’s en bacteriën tot bloemen en pythons. Al het leven op aarde is op basis van hetzelfde simpele genetische alfabet tot stand gekomen.’

Hij brengt de lezer op deze manier continu in een interessante spagaat. Het ene moment overheerst een gevoel van oppermachtig zijn: het idee dat de mens ieder stukje kennis ooit zal weten te bemachtigen en gebruiken, en geen enkel onderdeel van het leven op aarde dus nog heilig en veilig zal zijn voor de knutselkunsten van de mens. Om een paar pagina’s later compleet het tegenovergestelde te ervaren: een gevoel van nietigheid, machteloosheid en ontzag voor de natuur die toch weer complexer blijkt dan wij als mens nogal eens denken.

Het opvallendste kenmerk van het leven op aarde is volgens Woolfson ‘de verbluffende verscheidenheid ervan’.

Freepik, agusprianto

De mens beschermen

Woolfson maakt daarmee in zijn boek vooral duidelijk hoe graag de mens zich als God wíl wanen. Daarin is de auteur zelf ook niet onfeilbaar. Met name in zijn afsluitende manifest, waarin hij met dezelfde stelligheid waar hij eerder voor leek te waarschuwen, voorspelt hoe een nieuwe techniek ons in staat zal stellen nieuwe soorten te creëren.

De schrijver roept daarbij wel op tot voorzichtigheid. Zo vraagt hij zich af in hoeverre we bereid zijn om het menselijk genoom te herschrijven als we daarmee ziektes kunnen bestrijden. ‘We moeten nadenken over welke grenzen we willen waarborgen’, stelt hij. ‘Niet alleen om de mens en andere soorten te beschermen. Maar ook voor het behoud van onze menselijke eigenschappen. (..) Zelfs de zogenaamde tekortkomingen van de menselijke aarde (..) zouden niet beschouwd mogen worden als ‘problemen’ die opgelost moeten worden.’

Tijd voor bezinning

Na alles wat hij de lezers heeft meegegeven, zet hij hen nu aan tot nadenken. Met name over de positie die we als mens wíllen innemen in de natuur. Tegelijkertijd voelt het wat naïef om te denken dat er ooit zoiets mogelijk is als een mondiale consensus om de techniek alleen te gebruiken voor ‘het goede’. Bovendien rijst de vraag op of we wederom niet te hoogmoedig zijn, als we denken dat we nu wél zo ver zijn om de DNA-taal niet alleen te lezen, maar ook te spreken.

‘De mens als God’ is dus geen luchtig verhaaltje voor het slapen gaan, of een pageturner waar je in één dag doorheen bent. Het is een boek waar je de tijd voor moet nemen en dat je af en toe moet wegleggen om alle kennis en indrukken te laten bezinken.

Zullen we ooit nog oog in oog komen te staan met een levende dodo? De tijd zal het uitwijzen. Een échte in ieder geval niet, meent Woolfson. De bouwstenen van het dier kunnen we misschien wel reconstrueren: de historische zang van de dodo – die van generatie op generatie wordt doorgegeven – is met het uitsterven voor altijd verloren gegaan. Wat maar laat zien dat lang niet alle aspecten van het leven zich in DNA laten vangen.

Bron