Ouderen zouden digibeten zijn, technologie traag adopteren en niet meekomen in onze hightech maatschappij. Onterecht, stelt hoogleraar Alexander Peine. “Het reduceert hen tot stereotype.”
In zijn ogen worden ze te vaak als een financiële last (door pensioen- en zorgkosten), zielig en ouderwets gezien. De vooroordelen over ouderen en technologie stroken niet met de werkelijkheid en het beeld dat onderzoek laat zien, stelt Peine. In zijn ogen zijn ze juist volwaardige gebruikers, medeontwerpers, early adopters en aanjagers van innovatie. Daarom hield de hoogleraar cultuur, innovatie en communicatie eind april zijn oratie aan de Open Universiteit over dit onderwerp.
Peine vindt dat technologische ontwerpers, beleidsmakers en financierders van onderzoek de plank misslaan. Ze ontwikkelen vooral producten die draaien om problemen: alarmknoppen, valdetectie, sensoren in huis of beweegapps die bepaald gedrag willen afdwingen. Stigmatiserende en ineffectieve technologie, aldus Peine. Want ouderen willen geen alarmknop om de nek, terwijl ze best kunnen leven met een alarmknop op hun smartwatch, zo luidt zijn betoog.
Hoe komt het dat we een beeld hebben van ouderen als digibeten?
“Dat beeld komt vooral voort uit hardnekkige stereotypen en vormen van leeftijdsdiscriminatie. Er leeft een diepgeworteld idee dat oudere mensen niet van verandering houden, vooral gekenmerkt worden door lichamelijke beperkingen en ziektes, en daardoor minder geneigd zijn om nieuwe technologie te omarmen. Innovatie wordt vaak automatisch gekoppeld aan jongeren, terwijl ouderen worden gezien als achterblijvers. Het is een wijdverspreide aanname: als een jongere moeite heeft met technologie, ligt het aan de technologie. Als een oudere moeite heeft, ligt het aan de persoon.”
Is er dan geen technologische kloof van ouderen ten opzichte van het jongere deel van de bevolking?
“We nemen al snel aan dat er een grote digitale kloof bestaat, terwijl die in werkelijkheid kleiner is dan gedacht. En de kloof die er is, wordt deels veroorzaakt doordat we technologie specifiek voor jongere doelgroepen ontwikkelen. Daarmee sluit je ouderen impliciet uit. Daarnaast zien we vaak over het hoofd dat ouderen een zeer diverse groep vormen. Mensen die op latere leeftijd minder met technologie te maken hebben gehad, bijvoorbeeld doordat ze er in hun werk niet mee in aanraking kwamen, kunnen inderdaad minder vaardig zijn. Maar dat geldt zeker niet voor iedereen. Veel ouderen gebruiken technologie actief en blijven dat ook doen tot op hoge leeftijd. Denk aan smartphones, social media en apps als WhatsApp. Ouderen lijken daarin op jongeren: ze onderhouden contact met vrienden en familie, en nemen deel aan online communicatie.”

Alexander Peine.
Laurent StevensWat zegt de wetenschap over hoe tech-savvy ouderen zijn?
“Het idee dat ouderen niet digitaal vaardig zijn, wordt simpelweg niet ondersteund door onderzoek. Soms jagen ze innovatie juist aan. Een goed voorbeeld is de opkomst van de e-bike. In eerste instantie werd deze technologie vooral door ouderen omarmd als hulpmiddel. Inmiddels is de elektrische fiets een breed geaccepteerd product voor alle leeftijden. Ouderen fungeerden hier dus als early adopters en droegen bij aan de doorbraak van de technologie.”
Op welke manier beïnvloedt zo’n stereotype wat voor technologische producten er worden ontwikkeld?
“Technologieën worden ontworpen vanuit een medisch en problematisch perspectief: een oudere heeft een probleem dat opgelost moet worden. Alsof ouder zijn automatisch betekent dat je hulpbehoevend bent. Het gevolg is dat deze technologie niet altijd aansluit bij hoe ouderen zichzelf zien en bij hun dagelijks leven. Daardoor worden dit soort oplossingen minder gebruikt en werken ze averechts.”
Door de vooroordelen onderschatten we ouderen blijkbaar. Waarom is dit een probleem?
“Het beeld van ouderen als digibeten is discriminerend en reduceert hen tot stereotype. Ze worden gezien als economisch niet productief, afhankelijk van zorg en een kostenpost, waardoor we ze niet beschouwen als volwaardige deelnemers aan de samenleving. Dat heeft niet alleen gevolgen voor hoe we technologie ontwikkelen, ook op de arbeidsmarkt werkt dat door. Werknemers vanaf ongeveer 45 jaar worden vaak al gezien als minder geschikt voor een moderne, digitale werkomgeving. Nieuwe technologieën, zoals kunstmatige intelligentie, zouden vooral iets zijn voor jongeren. Maar onderzoek biedt onvoldoende onderbouwing voor die aanname. Ouderen moeten we zien als een diverse groep: digitaal actief, vaak vaardig en zeker in staat om technologie te gebruiken en te begrijpen. Het is bovendien een groep waarvan we kunnen leren.”
Op welke manier kunnen jongere generaties dan leren van ouderen?
“Jongeren gebruiken technologie vaak om ergens bij te horen of omdat ze het stoer vinden. Ze omarmen technologie vaak zonder kritischer naar de toegevoegde waarde te kijken. Ouderen willen er ook bij horen, maar voor hen is dit vaak minder gekoppeld aan het omhelzen van de nieuwste technologieën, wat ze kritischer maakt. Aangezien technologie, bijvoorbeeld in de vorm van datacenters, een beslag legt op het milieu en klimaat, is dat een pluspunt. Daarnaast dragen oudere werknemers nuttig bij in discussies over verantwoord gebruik van technologie. Ze hebben levenservaring en werkervaring, waardoor ze risico’s en gevolgen vaak beter inschatten. Dat is heel waardevol in een hoogtechnologische samenleving als de onze.”
Hoe laten we technologie beter aansluiten bij de moderne oudere, zodat we vaarwel kunnen zeggen tegen leeftijdsdiscriminatie en onterechte stereotypen?
“We moeten constateren dat veel ouderen al prima met reguliere technologie overweg kunnen en meer aanslaan op hippe, toffe, vernieuwende producten, die ze minder in een hokje plaatsen als achterlopend in de maatschappij. En waar er in onze maatschappij veel aandacht is voor inclusiviteit en diversiteit, zie ik dat ouderen in dat perspectief te weinig worden meegenomen. Leeftijdsdiscriminatie werkt anders dan andere vormen van uitsluiting, omdat iedereen uiteindelijk ouder wordt. Toch heeft het vergelijkbare effecten: het sluit mensen buiten, beïnvloedt hun zelfbeeld en beperkt toegang tot voorzieningen. Dat verplicht ons om ouderdomsdiscriminatie net zo serieus te nemen als andere uitsluiting.”

