Om Nederland onafhankelijk te maken van Amerikaanse Big Tech hebben we mensen nodig die met alternatieven kunnen werken. Die IT’ers vinden is een uitdaging in een arbeidsmarkt die toch al krap is.
Dat Nederland wat betreft kritieke digitale infrastructuur onafhankelijk moet worden van Amerikaanse Big Tech, daar lijkt iedereen het wel over eens. Eén van de belangrijkste uitdagingen is voldoende personeel vinden om dat mogelijk te maken. Aan de mentaliteit ligt het niet. Paul van Vulpen toont zich, terwijl hij in zijn werkkamer zijn negen maanden oude zoontje op zijn schoot de fles geeft, positief over de jonge generatie die hij treft in de collegebanken. De universitair docent Information Systems aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde recent op het onderwerp digitale soevereiniteit. Veel studenten willen niet meer met Microsoft werken, vertelt hij, maar juist met ‘andere tools’. Het feit dat Microsoft alomtegenwoordig is op universiteiten, is zelfs een belangrijke reden dat de jonge garde er liever niet als werknemer blijft plakken na de studie. “Ik merk dat deze generatie over het algemeen idealistisch is, zich bewust is van de afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech, en nieuwsgierig is naar de alternatieven. Eerlijk gezegd heb ik het idee dat zij dit beter doorhebben dan veel organisaties in Nederland.”
Het zijn hoopgevende signalen voor een arbeidsmarkt die vast lijkt te zitten. José van Dijck, hoogleraar media en digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht, vertelt dat IT-personeel sowieso schaars is, zelfs als het gaat om personeel dat Big Tech-producten implementeert en onderhoudt. Personeel dat met alternatieven kan werken, is nog veel schaarser.
Vicieuze cirkel
Die gigantische achterstand komt deels doordat er de afgelopen tien jaar een trend was van ‘vercloudisering’: bedrijven, en ook overheden, wilden de alles-in-éénoplossingen van Big Tech, zoals het Office-pakket van Microsoft. Er was meer IT-personeel nodig met ‘Big Tech-vaardigheden’, waardoor opleidingen daarom bijna louter Big Tech-mensen opleidden, waardoor andere organisaties ook weer kozen voor Big Tech.
Gebrek aan snelheid en vernieuwing maakt publieke organisaties onaantrekkelijk
Voor organisaties die in 2026 willen overstappen op alternatieven voor Big Tech, creëert dat een probleem: er zijn onvoldoende arbeidskrachten. Pioniers die hun organisatie los willen rukken van Amerikaanse Big Tech-oplossingen, stuiten op een muur. “De vicieuze cirkel lijkt haast onmogelijk te doorbreken”, ziet Van Dijck. “Dit wordt versterkt doordat de meeste goede IT’ers direct door techbedrijven worden weggekocht voor salarissen waar de publieke sector niet aan kan tippen.”
Sexy werkgever
Van Dijck en Van Vulpen denken dat de publieke sector het voortouw moet nemen om de vicieuze cirkel op de arbeidsmarkt te doorbreken. Dat kan de overheid doen door zelf meer te kiezen voor alternatieven en door simpelweg een meer aantrekkelijke werkgever te worden. Daarbij gaat het niet alleen om een hoger salaris, maar vooral om creatieve ruimte voor de grootste talenten. “Zij moeten ook buiten de gebaande paden mogen ontwikkelen”, meent Van Dijck. “Als overheidsinstanties ruimte bieden om met opensourcetoepassingen te werken, zal dit jonge, goed opgeleide mensen met de juiste mentaliteit kunnen aantrekken. Haal je hen binnen en geef je ze de mogelijkheid zich te ontwikkelen, dan creëer je ruimte voor de alternatieven”, aldus Van Dijck.
Om die ruimte te maken moet de overheid minder ambtelijk en log worden ten opzichte van IT’ers, stelt Van Vulpen. Hij noemt veel publieke organisaties, zoals het Rijk, gemeenten en universiteiten ‘ongelooflijk onaantrekkelijk’. Zo raakten meerdere vrienden van hem die in de publieke sector software ontwikkelden uiteindelijk opgebrand. “Niet omdat ze te druk waren, maar door saaiheid en een gebrek aan snelheid en vernieuwing. Dat staat op gespannen voet met wat jonge mensen willen. Vooruitstrevende IT-medewerkers die betere systemen, opensourcetoepassingen en alternatieven voor Big Tech willen implementeren, lopen vast.”
Dat komt deels doordat er in de top van de overheid simpelweg te weinig IT’ers zijn, denkt Van Vulpen. Er wordt in zijn ogen nooit doorgepakt, omdat het op beleidsniveau steeds uitgelegd moet worden aan mensen zonder IT-achtergrond. Ook heerst er angst. Een gemeentesecretaris of leidinggevende op een ministerie wil vooral risico’s beheersen en niet negatief in het nieuws komen als er problemen zijn, analyseert Van Vulpen. “Er is veel koudwatervrees.”
Ambtelijke handrem
Nee, dan grote partijen als Amazon en Uber. Van Vulpen ziet daar ‘technologisch gezien ontzettend gave dingen gebeuren’. “Zulke bedrijven bieden ruimte om hun IT-omgeving state-of-the-art in te richten. Hun IT-organisaties functioneren van nature heel anders, namelijk als plattere organisaties, met autonome IT-teams die zelf ontwikkelen wat nodig is.” Ambtelijke organisaties zijn log, ziet hij. “Iedere beleidsmaker zegt voor platte teams en eigen verantwoordelijkheid te zijn, maar de procedures binnen de overheid staan daar vaak op gespannen voet mee.”
Ook de salarissen moeten omhoog. Van Vulpen schat in dat een goede medior IT’er in Nederland tussen de 80.000 en 100.000 euro per jaar krijgt. Bij grote Amerikaanse bedrijven kan dat oplopen tot 500.000 euro. Toch hoeft dat geen belemmering te zijn, aangezien hij genoeg mensen ziet die bereid zijn wat salaris in te leveren voor hun idealen. “Maar dat moet wel in verhouding staan. De helft van je salaris inleveren én vervolgens voortdurend tegen bureaucratische barrières aanlopen, maakt het niet aantrekkelijk. De ambtelijke handrem moet er dus af, anders is concurreren om werknemers bij voorbaat zinloos.”

De Rijksuniversiteit Groningen probeert via een project de digitale autonomie te vergroten.
RUG/Marcel SpanjerOverheidsorganisaties zouden, in de ogen van Van Vulpen, een voorbeeld kunnen nemen aan Rijksuniversiteit Groningen. Daar loopt een project dat de universiteit minder afhankelijk moet maken van grote technologiebedrijven als Google en Microsoft. Het project moet ervoor zorgen dat de systemen van de universiteit de academische vrijheid, onafhankelijkheid en veiligheid borgen. Onderzoeksteams krijgen de mogelijkheid (en financiële ondersteuning) om zelf hun digitale autonomie te vergroten, bijvoorbeeld door alternatieven te verkennen. Daarbij geldt dat als zulke projecten goed werken, dit over de hele universiteit uitgerold kan worden. “Als Nederland digitaal autonoom wil worden, dan helpt het niet als vrijwel alle opleidingen in Nederland systemen van Microsoft gebruiken, zoals nu het geval is. Ik juich het daarom toe dat de Rijksuniversiteit Groningen daar via dit project wat aan wil doen. Laat het een voorbeeld zijn voor veel meer overheids- en semi-overheidsorganisaties.”

