Naar de content

Zet daders centraal in de aanpak van straatintimidatie

Ljubafoto, via iStock

Niet slachtoffers of omstanders aanspreken, maar de veroorzakers van straatintimidatie: het lijkt logisch, maar gebeurde tot nu toe weinig. Inmiddels richten gemeentes hun campagnes steeds vaker op de daders. Hoe spreek je deze daders het beste aan?

20 januari 2026

“Kan je overal zo lekker aan likken”, roept een vrouwenstem vanaf een scherm naar een mannelijke voorbijganger met een ijsje. Even later roept de stem: “Hey schatje, wil je neuken?” Het was onderdeel van een actie van de Gemeente Utrecht om mannen bewust te maken van de impact van seksuele straatintimidatie.

De actie kwam groot in het nieuws. Niet alleen vanwege de opvallende vorm, maar ook omdat het een van de eerste campagnes was die zich uitsluitend richtte op de grootste groep daders van straatintimidatie: mannen. Tot dan toe probeerde men straatintimidatie aan te pakken door omstanders op te roepen om in te grijpen, of door slachtoffers hulp te bieden of weerbaar te maken.

Seksuele straatintimidatie komt in vele vormen voor: van nastaren, sissen of fluiten, tot iemand volgen, naroepen of ongemerkt foto’s maken. Sinds 2024 is straatintimidatie strafbaar en kunnen daders een boete, taakstraf of in zeldzame gevallen een korte gevangenisstraf krijgen. Desondanks blijft het een groot probleem: twee op de drie vrouwen ervaart jaarlijks seksuele straatintimidatie. Eén op de drie mannen geeft toe dader te zijn. Omdat de cijfers op zelfrapportage berusten, liggen de daderspercentages waarschijnlijk hoger.

Kritiek op campagnes

Ondanks tien jaar aan straatintimidatiecampagnes zijn deze getallen redelijk stabiel, vertelt Charlotte van Tuijl. Ze doet als promovenda bij de Erasmus Universiteit onderzoek naar straatintimidatie bij jongeren. Volgens haar zijn er twee mogelijke verklaringen voor de stagnatie in de cijfers. “Slachtoffers zijn zich door de campagnes meer bewust geworden van het probleem, waardoor ze eerder incidenten melden.” De campagnes werken mogelijk wel, maar door alle extra meldingen blijven de cijfers gelijk. Haar andere verklaring is pessimistischer: “De strategieën van eerdere campagnes werkten blijkbaar niet voldoende.”

Pas als mensen een alternatief handelingsperspectief hebben, kunnen ze hun gedrag aanpassen

Campagnemakers besloten het daarom over een andere boeg te gooien: ze richten zich op de veroorzakers met ‘daderscampagnes’. Volgens Van Tuijl werd de nieuwe aanpak niet alleen ingegeven door het beperkte effect van eerdere campagnes, maar ook omdat er vanuit de samenleving kritiek was op campagnes waarbij de verantwoordelijkheid bij slachtoffers wordt gelegd. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij campagnes die slachtoffers oproepen om straatintimidatie te melden of aanmoedigen om een veilige route te fietsen.

Mannen aanspreken

Hoewel niet alleen mannen straatintimidatie veroorzaken, zijn ze wel sterk oververtegenwoordigd; in 70 procent van de straatintimidatie-incidenten is de dader een man. “Uit de wetenschap weten we dat het voorkomt bij alle leeftijden mannen, maar het begint vaak al als tiener. Daarom richten campagnes en onderzoek – zoals het mijne – zich vaak op jongeren”, vertelt van Tuijl. Maar hoe zorg je dat deze (jonge) mannen zich aangesproken voelen?

Dat is nog best lastig, merkt Van Tuijl. “Je wilt dat jonge mannen zich kunnen identificeren met een campagne, maar je wilt niet rolbevestigend zijn.” Als voorbeeld noemt ze de Rotterdamse campagne ‘Wees een Baas’. “Deze campagne speelt in op het gedachtengoed dat mannen zichzelf moeten beheersen en hun emoties in bedwang moeten houden. Er zijn daar gemixte reacties op geweest: aan de ene kant sloot het goed aan bij de belevingswereld van sommige mannen, maar aan de andere kant bevestig je dat mannen geen emotie mogen tonen. Dat is een maatschappelijk patroon wat juist ten grondslag ligt aan seksuele straatintimidatie.”

Door het gesprek aan te gaan krijgen jonge mannen meer inzicht in wat intimiderend kan zijn. Een vrouw kan zich onveilig voelen als ze langs een groep mannen die op straat hangen loopt, terwijl dit helemaal niet de intentie van de mannen is. 

Maëll Balland, via Pexels.com

Er was gelijksoortige kritiek op de overheidscampagne ‘Man zeg er wat van’. In een videofragment spreekt een man zijn vrienden aan op hun ongepaste gedrag naar een serveerster door te vragen: ‘Wat als het je dochter was?’. Van Tuijl vertelt: “Ik heb daar moeite mee, want het gaat er niet om of het zijn dochter is of niet – het gaat erom dat je vrouwen met respect hoort te behandelen.” In de wetenschap wordt dit ook wel benevolent sexism genoemd, legt Van Tuijl uit. “Dat is seksisme dat vanuit goede intenties komt, bijvoorbeeld het idee dat mannen vrouwen horen te beschermen. Desondanks is het nog steeds seksisme.”

Meer in gesprek

Zelfs als mensen het eens zijn met de boodschap van een campagne, is het lastig om mensen aan te zetten om gedrag te veranderen, vertelt Van Tuijl. “Pas als mensen een alternatief handelingsperspectief hebben, kunnen ze hun gedrag aanpassen.” Ze zag dat bijvoorbeeld misgaan bij de campagne in Rotterdam. “De campagnetekst was: ‘Een échte man roept niet. Sist niet. Fluit niet.’ Maar er werd niet gezegd hoe een man zich wél moest gedragen.”

Van Tuijl pleit er daarom voor om campagnes in te zetten in combinatie met programma’s waar jongeren met elkaar de dialoog aangaan, bijvoorbeeld tijdens het mentoruur, burgerschapslessen of zelfs met vreemden in de bus. “We moeten een gesprek voeren over hoe we wel met elkaar omgaan in de openbare ruimte, zodat mensen weten hoe we wél kan. Daarbij is het belangrijk om niet te veroordelen. Het moet niet de indruk wekken dat alle mannen slecht zouden zijn, maar om alternatieve manieren om met elkaar om te gaan op straat.”

Compliment of straatintimidatie?

Ze ziet bijvoorbeeld kansen om in gesprek te gaan over de verschillende ervaringen van mannen en vrouwen. Wat mannen als een onschuldig compliment zien, kunnen vrouwen als zeer bedreigend ervaren. Mannen zijn zich bij straatintimidatie namelijk lang niet altijd bewust van de impact van hun handelen, blijkt uit onderzoek. Daarnaast speelt gedrag zich soms af in grijs gebied. “Een vrouw kan zich onveilig voelen als ze langs een groep mannen die op straat hangen loopt, terwijl dit helemaal niet de intentie is van de mannen. Het is belangrijk om juist dit soort situaties te bespreken.”

Betrek mannen in een vroeg stadium bij de campagne, dan kunnen ze aangeven wat wel en niet werkt

De discrepantie tussen slachtoffers en potentiële daders wekt soms weerstand op, ziet Van Tuijl. Veelgehoorde kritiek is dat je kan (als man) niets meer kan zeggen of doen. Van Tuijl hoopt dat co-creatie met (jonge) mannen daar een oplossing voor is. “Je ziet nu dat campagnemakers de doelgroep pas helemaal aan het eind uitnodigen voor bijvoorbeeld focusgroepen, waardoor er weinig ruimte is om nog dingen aan te passen. Door mannen er in een vroeg stadium bij te betrekken, kunnen ze aangeven wat werkt en wat niet.”

Het verschil tussen de ervaring van mannen en vrouwen kwam ook naar voren in de eerdergenoemde actie van Gemeente Utrecht, waarbij vrouwen mannen nariepen op straat. “Mannen vertelden dat ze de opmerkingen ongemakkelijk vonden. Dat is heel anders dan het gevoel van onveiligheid dat vrouwen of andere mensen die regelmatig te maken krijgen met intimidatie hebben.” Toch is ze vooral gecharmeerd van de actie en hoopt ze dat er meer van zulke campagnes komen. “Het helpt om over dit soort moeilijke onderwerpen op een luchtige manier te praten. Hoewel het onderwerp zelf niet grappig is, kan humor zeker bijdragen aan een goed gesprek.”