Een ontwerpfout had het einde van de mens moeten betekenen. Maar de natuur bracht ons een ingenieuze oplossing: taal, stelt evolutiebioloog Madeleine Beekman.
Het begon meer dan vier miljoen jaar geleden. Onze verre voorouders verruilden een leven in de bomen voor een bestaan op de grond. Lopend op twee benen kostte het minder energie om grotere afstanden af te leggen dan steunend op de knokkels van vier ledematen. De wijde wereld lag aan hun voeten. Hiervoor waren wel enige aanpassingen aan het skelet nodig, waaronder smallere heupen. Vervolgens begon door andere ontwikkelingen in onze evolutie ons brein uit te dijen, wat leidde tot een grotere schedel. In combinatie met die smalle heupen geen fijne ontwikkeling voor de barende vrouw.
Vanaf dat moment werden mensenbaby’s dan ook te vroeg geboren. Zodat het babyhoofdje nog net door het geboortekanaal van de vrouw paste. En zodat de rijping van dat energievretende babybreintje in de baarmoeder de vrouw nog niet te veel energie kostte. Maar dat leverde dus wel hulpbehoevende wezentjes op die nog vele jaren zorg nodig hebben voor ze zelfstandig konden overleven. Een ontwerpfout die tot ons uitsterven had moet leiden.
Dat uitdijende brein creëerde echter niet alleen een probleem, het werd ook onze redding. Dat stelt evolutiebioloog Madeleine Beekman in haar onlangs verschenen boek ‘Het ontstaan van taal – Over de evolutie van de mens’. Dankzij die hersenen konden we namelijk een complex communicatiesysteem ontwikkelen: de taal die we nodig hadden om hulp bij de zorg voor ons nageslacht te regelen. De indaling van ons strottenhoofd zorgde er ook nog eens voor dat we een groot palet aan klanken konden uitstoten. ‘Met elk beter stukje spraak en elk moment van gedeeld begrip verhoogden we de kans dat onze baby’s – en onze soort – zouden blijven leven’, schrijft Beekman.
We spreken de emeritus hoogleraar uit Australië, waar ze sinds 2001 woont en werkt, via een videobelverbinding over de evolutie van taal.
Madeleine Beekman is emeritus hoogleraar Evolutionaire Biologie en Gedragsecologie aan de Universiteit van Sydney.
Janneke Calis voor NEMO KennislinkJe hebt vooral onderzoek gedaan naar gedrag van bijen en mieren. Hoe kom je dan uit bij mensen en taal?
“Ik wilde eigenlijk een boek schrijven over hoe evolutie werkt, voor een algemeen publiek. Daarvoor had ik een kader nodig, dus koos ik de mens – daar zouden vast meer lezers in geïnteresseerd zijn dan in bijen. En toen kwam ik dus dat moeilijke probleem tegen van dat grote hoofd en die hulpeloze baby’tjes. Ik kwam tot de conclusie dat communicatie de oplossing was die ervoor heeft gezorgd dat we niet zijn uitgestorven. Integendeel zelfs, we zijn een van de dominante soorten op aarde geworden.”
Kwam die oplossing voort uit je inzichten uit het onderzoek bij dieren?
“Zeker. Ik heb heel veel tijd gespendeerd aan het observeren van verschillende bijensoorten. Hoe ze zich organiseren, hoe ze beslissingen nemen en werk voor elkaar krijgen. Hoe ze over al die dingen communiceren. Sommige van die soorten bouwen een kleine raat onderaan een tak, andere leven in een holle boom. Als in het hele bos één geschikte holle boom is, met een kleine ingang waar ze in moeten, dan moet je als bij veel nauwkeuriger de locatie aan je soortgenoten communiceren dan als ze overal aan een tak een nieuw nest kunnen maken. Als het probleem heel complex is, is het evolutionair voordeliger als je heel precies kunt communiceren.”
Jouw idee gaat in tegen een andere theorie die stelt dat de wortels van taal in de jacht liggen.
“Ik heb twee problemen met die theorie. Ten eerste wil je juist heel stil zijn als je jaagt. Bovendien was taal ook niet per se nodig om vooraf je strategie te bepalen. Heel veel andere beesten kunnen heel goed jagen zonder taal. In Botswana heb ik wilde honden zien jagen. Die hebben een dominant mannetje en vrouwtje die alles orkestreren. Zij maken hoge piepgeluidjes, waarna de andere honden een kring om de prooi vormen. Het is in een paar seconden gebeurd. Heel effectief, zonder taal.”
En de beroemde taalkundige Noam Chomsky stelt dat de mens een uniek aangeboren taalinstinct heeft.
“Chomsky maakte een heel goed punt: kinderen kunnen al heel jong taal ontzettend goed begrijpen. Het maakt niet uit in welke taal ze opgroeien, en ook als ze meerdere talen horen kunnen ze die heel makkelijk leren. Zonder directe instructie. Hij dacht daarom dat er een mutatie moet zijn geweest waardoor de mens dat unieke taalvermogen heeft. Maar die mutatie is nooit gevonden.”

Doordat baby's vroeg worden geboren is hun brein nog onontwikkeld en goed in leren.
FreepikHoe kan het dan dat kleine kinderen zo makkelijk taal leren?
“Dat komt doordat baby’s zo jong geboren worden. Hun brein is nog lang niet af en dus heel plastisch. Als je een onontwikkeld brein hebt, ben je goed in leren. Je brein past zich dan makkelijk aan prikkels uit de omgeving aan. Als een baby’tje veel taal hoort, gaan de hersenen dus al die verbindingen tussen verschillende delen maken die nodig zijn om later te kunnen spreken. Zo is ons brein aangepast aan taal.”
Maar zo’n onontwikkeld brein heeft dus wel langer zorg nodig.
“Inderdaad, dat zie je bij meer dieren met een relatief groot brein ten opzichte van hun lichaam. Bijvoorbeeld bij Caledonische kraaien, die zijn ook heel slim; ze worden vaak gebruikt voor onderzoeken naar het oplossen van problemen. Maar de kleintjes hebben wel tijd nodig om die vaardigheden te leren en de ouders zorgen dan ook een vrij lange tijd voor ze.”
“Er zit overigens wel een grens aan de grootte van het brein. Als het te lang duurt voor een jong volwassen wordt, wordt ook de kans op overlijden groter. Jongen kunnen bijvoorbeeld ziek worden of een ongeluk krijgen voordat ze zich hebben kunnen voortplanten. Maar onze soort heeft dat opgelost door aan familieleden, met name oma, hulp te vragen bij de zorg voor die hulpeloze baby’s.”
“Dat zie je ook terug in de fossiele geschiedenis: vanaf het moment dat onze schedel groter werd, kregen vrouwen meer kinderen, waarschijnlijk omdat er om hulp kon worden gevraagd. In diezelfde periode begon verder de handel, wat volgens mij ook alleen kan als je goed kunt communiceren. En ingewikkelde gereedschappen maken, waar directe instructie voor nodig is. Ook zien we vanaf dan meer complexe kunst. Dat werd allemaal mogelijk dankzij het ontstaan van heel precieze communicatie, oftewel taal.”

