Met een transitie naar proefdiervrij nemen we hopelijk voor 2030 afscheid van de meeste proefdieren. Wat betekent dat voor een bedrijf dat gebruikmaakt van proefdieren?
Als de deur van het dierverblijf opengaat, ruik ik een aardse geur, een beetje net zoals in een bos na een regenbui. De geur komt van de houtkorrels op de grond. De zes katten in het verblijf, gesocialiseerd als ze zijn, komen instinctief naar me toe. Ze geven kopjes en springen op de hokken, op zoek naar snoepjes in de zakken van mijn witte labjas.
Ik ben op bezoek bij Charles River Laboratories, een Amerikaans bedrijf dat zich bezighoudt met veiligheidsonderzoek naar nieuwe stoffen, zoals chemicaliën of medicijnen. Voor die veiligheidstests gebruikt het bedrijf in het Brabantse Schaijk ook proefdieren: vooral muizen, ratten en konijnen, maar ook honden en katten.
Waar Charles River ook bekend om staat, is het fokken van proefdieren voor wetenschappelijk en veiligheidsonderzoek. Ze bieden onder andere transgene muizen aan: genetisch gemodificeerde dieren die een gen van een andere diersoort in hun DNA dragen.
De katten in dit verblijf doen nu niet mee aan een onderzoek, en zijn ook niet voor de verkoop. Ze zijn in afwachting van een van de proeven die ze ondergaan. Daarbij gaat het om tests met kattenmedicijnen.
Nieuwe norm
Katten vormen met ongeveer honderdvijftig per jaar een fractie van het totale aantal proefdieren dat jaarlijks in Nederland wordt gebruikt. Volgens de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) schommelt dat aantal al tien tot vijftien jaar rond de 400 duizend, waarvan het merendeel bestaat uit muizen, vissen en ratten. Dat aantal is vrij stabiel: voor het testen van de veiligheid van geneesmiddelen, bestrijdingsmiddelen, cosmetica en voedingsstoffen zijn er nog steeds dierproeven nodig.
Daar komt de komende jaren verandering in. In 2030 moeten in Nederland proefdiervrije innovaties de norm zijn, zegt de overheid. Dat zou haalbaar moeten zijn door het subsidiëren van proefdiervrije innovaties en nieuwe initiatieven voor kennisdeling, zoals het recent geopende nationale centrum Ombion in Utrecht. En door samenwerking tussen overheden en bedrijven op dit gebied te stimuleren.
Organoïden, celkweken of 3D-huidmodellen: van die proefdiervrije alternatieven komen er steeds meer beschikbaar. Bovendien staan regelgevende instanties, zoals de ECHA (het Europees agentschap voor chemische stoffen), de EMA en de FDA (de Europese en Amerikaanse medicijnwaakhonden), steeds meer voor ze open, mits ze minstens zo betrouwbaar én gevalideerd zijn. Er is momentum, zoals dat heet.
— Anne Kienhuis
Maar nu het gebruik van proefdieren steeds minder wordt, verandert ook het verdienmodel van bedrijven, zoals Charles River, die van oudsher leunen op proefdieren voor hun veiligheidsonderzoek. Zij passen dan ook hun werkwijze aan.
Certificering
Charles River kreeg – als een van de eerste bedrijven in deze branche – de GIVIMP (Good In Vitro Method Practices) -certificering. Het garandeert dat medewerkers in vitro – dus proefdiervrije – veiligheidsstudies controleerbaar, herleidbaar en betrouwbaar uitvoeren en rapporteren. “Het onderzoek dat je doet om stoffen te testen, moet voldoen aan kwaliteitseisen”, zegt Mira Wenker, Director of Discovery and Environmental Sciences bij Charles River. “Dan kunnen we data jaren later weer terughalen om een studie te reconstrueren.”

Het bedrijf Charles River leunt van oudsher op proefdieren, maar past haar werkwijze aan.
Charles RiverEigenlijk is het dus een keurmerk, ontwikkeld om de betrouwbaarheid, reproduceerbaarheid en maatschappelijke acceptatie van proefdiervrije testmethoden te garanderen. Maar wat betekent dat in de praktijk? En wijst zo’n certificering op een trend?
Kwaliteitseisen
Dit certificaat is een belangrijke stap in de overgang naar proefdiervrij onderzoek, zegt Anne Kienhuis. Zij is hoogleraar Toxicologie in Transitie bij het UMC Utrecht en programmaleider proefdiervrije innovaties bij het RIVM. “Regelgevers hebben betrouwbare testen nodig voor ze de resultaten kunnen accepteren. Dat betekent dat ze reproduceerbaar, robuust en gestandaardiseerd moeten zijn. Als je dat gecertificeerd kunt aantonen, verhoog je het vertrouwen in de uitkomst van zo’n test.”
Dat betekent niet gelijk dat bedrijven zoals Charles River op het punt staan om helemaal van de proefdieren af te stappen. “De afgelopen paar decennia lag de nadruk bij proefdiervrije modellen op de wetenschappelijke ontwikkelingen”, zegt Wenker. “Nu implementeren we ze in de praktijk. We zullen waarschijnlijk steeds meer alternatieven gaan gebruiken, maar we kunnen niet van de ene op de andere dag van dierproeven afstappen.”
Langzaam proces
Proefdiervrije alternatieven hebben de wind in de rug. Ook beleidsmakers waaien mee, zegt Kienhuis, al is het langzaam. “Het RIVM werkt samen met bedrijven, de overheid en universiteiten om veelbelovende onderzoeksmodellen te valideren. We zetten validatiestudies op en leggen de resultaten voor bij een commissie van de OECD (de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, red.), die over het testrichtlijnprogramma gaat. Zo’n proces kan wel vier tot acht jaar duren.” Uiteindelijk beslist een regelgever of die de nieuwe test gaat gebruiken.
Het is lastig om dat proces te versnellen, zegt Kienhuis. “Je wil niet inleveren op zorgvuldigheid. De regelgever is verantwoordelijk voor veilige producten op de markt.” Bovendien doen de experts in zo’n commissie dit werk naast hun primaire werk, bijvoorbeeld als onderzoeker. Er is dus vooral extra menskracht nodig, en geld voor initiatieven zoals externe validatielaboratoria. “Validatiestudies zijn voor de wetenschappelijke wereld niet aantrekkelijk”, zegt Wenker. “Het is een kwestie van reproduceren en herhalen. Bedrijven zoals het onze zijn daar heel goed in.”
Kienhuis en Wenker kennen elkaar al langer. RIVM en Charles River bouwen, samen met 33 andere organisaties, aan een project dat proefdieren compleet buitenspel zet. Dit Virtual Human Platform for safety assessment (VHP4Safety) maakt het mogelijk in een ‘virtuele mens’ stoffen te testen. Zie het als een gedachte-experiment: hoe pak je het aan als we nu écht van dierproeven af willen?
Met VHP4Safety kunnen wetenschappers en bedrijven een dossier met data uit proefdiervrije tests aanleggen voor regelgevers. Wenker: “Simpel gezegd: we hebben een mens nagebouwd, waar je een stof in kunt stoppen om te bepalen of die veilig is. Daarmee omzeil je gelijk de vertaalslag van dier naar mens.”
VHP4Safety is een mooi voorbeeld van de samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid, wetenschap en maatschappelijke organisaties. Kienhuis hoopt dat die vorm van samenwerken meer vorm krijgt – niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. “We hebben mensen nodig die al tijdens hun studie bredere kaders aangereikt krijgen. Met meer mensen die de kwaliteit van een onderzoeksmodel goed kunnen beoordelen, krijg je waardevollere alternatieven. Dan zul je zien dat de oude modellen, zoals proefdieren, minder relevant worden dan ze eerder waren.”
Tegelijkertijd, zegt Wenker, moet een onderzoeksmodel vooral een middel zijn, geen doel op zich. “Het moet vooral leiden tot relevanter en beter onderzoek voor veiligheid. Natuurlijk willen we af van proefdieren, maar we hebben vooral relevant en toepasbaar onderzoek nodig om de veiligheid van stoffen te kunnen beoordelen. Dat zou kunnen zorgen voor kortere ontwikkeltijden van bijvoorbeeld medicijnen, omdat we al vanaf het begin relevanter veiligheidsonderzoek kunnen doen.”
Transitie
De komende jaren zitten we nog wel even vast aan proefdieren, denken Wenker en Kienhuis. “Veel alternatieven zijn nog niet voldoende gevalideerd, en geven nog niet voldoende informatie”, zegt Wenker. Daarom gaan ze op dit moment nog hand in hand met proefdieronderzoek. De dierverblijven bij Charles River blijven dus nog wel even bewoond. “Een regelgever blijft verantwoordelijk om een veilig product op de markt te brengen. Dat kan nu nog niet proefdiervrij.”
“Bij grote transities zoals deze breek je oude infrastructuren af en bouw je nieuwe op”, zegt Kienhuis. “De manier van werken bij regelgevers, bedrijven, en in de wetenschap moet helemaal anders. Dat heeft consequenties.”
Geen bedrijf wil ze per se blijven doen, die dierproeven, voegt Wenker toe. “Maar ze geven ons nu nog de antwoorden die we zoeken.”
Nabij proefdiervrij
In 2016 sprak kabinet Rutte II de ambitie uit om Nederland in 2025 'grotendeels proefdiervrij' te maken. Dat is een stevige ambitie, aangezien er nu jaarlijks nog zo'n 400 duizend dierproeven plaatsvinden in ons land. Kan dat niet minder? En kan biotechnologie daar een rol in spelen?


