Vijf genetisch aangepaste veulens zorgden dit jaar voor opschudding in de polosport, omdat de genetische voorsprong niet eerlijk zou zijn voor de ‘natuurlijk’ gefokte paarden. Is dat zo? Welke lessen zijn er te trekken uit de dieren- en plantenwereld als het gaat over ingrijpen in menselijk embryo-DNA?
Zo op het eerste gezicht vijf doodgewone veulens zorgden voor ophef in de Argentijnse polosport. Dat ze klonen waren van een prijswinnend paard, was het probleem niet. Het klonen van paarden gebeurt er al sinds 2003. De sportbond van Argentinië, de bakermat van polo, heeft er geen problemen mee om klonen in te zetten om elitepaarden te fokken. Maar de geboorte van de vijf veulens ging een grens over. Naast het feit dat ze gekloond waren, was hun DNA ook nog eens aangepast met CRISPR-technologie om ‘explosieve snelheid’ te produceren. En dát was niet eerlijk. En dus liet de Argentijnse Polo Association weten genetisch aangepaste paarden uit te sluiten van wedstrijden.
“Dit ruïneert fokkers”, aldus Marcos Heguy, Argentijnse fokker en voormalig professioneel polospeler in een interview met Reuters: “Het is alsof je een schilderij maakt met kunstmatige intelligentie. De kunstenaar is dan ten dode opgeschreven.” Kheiron Biotech, het Argentijnse bedrijf dat de paarden creëerde, ziet het probleem niet. Gabriel Vichera, wetenschappelijk directeur van het bedrijf: “We vinden niets kunstmatigs uit, we nemen de natuurlijke volgorde van het DNA en brengen die in een ander natuurlijk paard. Dat is wat de natuur ook doet, maar wij doen het sneller en gerichter.”
Klopt het wat Vichera zegt? Kan je gebruik van CRISPR-Cas natuurlijk noemen? Wat is eigenlijk het verschil tussen CRISPR-en, klonen, veredelen, kruisen en fokken? Zijn er lessen te trekken uit de dieren- en plantenwereld als het gaat over ingrijpen in menselijk embryo-DNA? We legden de vragen voor aan een medisch-ethicus en een ontwikkelingsbioloog.
Selectie bij planten
In theorie kun je CRISPR-Cas ‘natuurlijk’ noemen, legt ontwikkelingsbioloog Joost Gribnau van het Erasmus MC uit: “Het is oorspronkelijk een verdedigingssysteem van bacteriën tegen virussen. Iets dat daar van nature voorkomt dus. Wetenschappers hebben dit mechanisme echter aangepast zodat we gericht het DNA kunnen veranderen in planten, dieren en mensen. Geen natuur meer dus, maar technologie.”
Fokken, kruisen, veredelen; het aanpassen van bepaalde eigenschappen bij planten en dieren voor volgende generaties doen we al sinds mensenheugenis, ziet Gribnau. Dat begon met selectie: “Denk aan een boer met een boomgaard met allerlei appels. Ineens is er één boom die heel mooie, rode appels geeft. Daar wil die boer er wel meer van, dus gaat hij van die boom stekken – in principe hetzelfde als klonen – zodat hij een boomgaard vol krijgt met van die prachtige appels.” Dat proces van veredelen ging heel langzaam en min of meer vanzelf, vertelt Gribnau: “Er ontstaan altijd mutaties in het DNA. Soms levert zo’n mutatie per ongeluk een grotere tomaat op. In plaats van die op te eten, nemen we daar de zaadjes van om ze – soms ook door ze te kruisen met een andere plant – weer opnieuw uit te laten groeien tot nieuwe planten. Zo ontstaat een nieuw tomatenras dat groter is.”
Gentechnologie
In de jaren negentig werd dit proces van veredelen versneld door gentechnologie toe te voegen: door het gericht aanpassen van bepaalde genen van een plant, konden gewenste rassen gemaakt worden. De intrede van CRIPR-Cas maakte dit proces nóg preciezer: “Je kunt nu in vrij korte tijd een plant maken die minder water nodig heeft en resistenter is tegen schimmels, zonder dat je daar allerlei bestrijdingsmiddelen voor nodig hebt. Het geeft bovendien nog steeds een tomaat die lekker smaakt en er mooi uitziet. Eigenlijk geeft het je alles wat je wil.” Gribnau noemt het op deze manier toepassen van CRISPR-Cas bij planten ‘een waanzinnig mooi idee’: “We kunnen hiermee grote problemen oplossen, zoals het gebruik van bestrijdingsmiddelen of te veel water. Met de klimaatuitdagingen die we hebben, wordt dat steeds belangrijker.”
Ook bij dieren passen onderzoekers eigenschappen aan voor volgende generaties. De laatste jaren gebeurt dit steeds vaker met CRISPR-Cas. Zo kopten media de afgelopen jaren over genetisch aangepaste, snel groeiende zalm, ziektebestendige varkens en klimaatbestendige en hoornloze runderen. Dat laatste geval ging niet zoals gepland: de genetisch aangepaste runderen bleken niet alleen hun hoorns kwijt te zijn, maar onbedoeld ook resistent te zijn geworden tegen antibiotica. Gribnau pleit voor voorzichtigheid bij het genetisch aanpassen van dierenrassen: “Je hoeft alleen maar naar bepaalde doorgefokte hondenrassen te kijken om te zien hoeveel problemen daaraan kleven.”
Black box
Gribnau kan zich voorstellen dat de techniek van het aanpassen van menselijk embryo-DNA in de verre toekomst gebruikt wordt om bepaalde ziekmakende mutaties te herstellen. Voor toepassing van de techniek is het nu nog veel te vroeg: “Het werkelijk doorgronden van hoe verschillende celtypen ontstaan tijdens de ontwikkeling, is voor een groot deel nog steeds een black box. Daarnaast zullen we nog een aantal grote stappen moeten zetten als het gaat om ethische vragen en veiligheid van de techniek. Bovendien is er op dit moment al een goed alternatief zoals embryoselectie.”
— Andre Poortman
Hebben wij mensen het recht om dieren zo instrumenteel te gebruiken? Het is een vraag die Andre Poortman, medewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, al jaren fascineert. Vanuit zijn studie spreekt en publiceert hij regelmatig over medisch-ethische vraagstukken: “Ik vind het fantastisch wat we allemaal kunnen, dat ten eerste. Dat we potentieel organen kunnen kweken in dieren waar een dier niet eens aan hoeft te lijden bijvoorbeeld. Maar dan nog is de vraag of wij dat recht hebben. Bij mensen zouden we meteen nee zeggen, maar bij dieren ligt die grens anders. Persoonlijk zal ik altijd moeite blijven houden met het gebruik van dieren voor onze eigen doeleinden. Ik heb het al met mijn kat die ik toch een bepaalde beperking opleg door haar in mijn huis te houden.”
Hypocriet
De ‘truc’ van de ethiek is volgens Poortman dat je jezelf altijd moeilijke vragen moet blijven stellen: “Zou je wat met die muizen gebeurt in het lab, ook toestaan als het je huisdier betrof? En zou je je kat opofferen als je daar hele zieke kinderen met een spierziekte mee zou kunnen helpen?” Neem nooit genoegen met een makkelijk antwoord, wil Poortman maar zeggen: “Het is belangrijk dat je de pijn blijft voelen in de afwegingen die je maakt. Waar voel je dubbelhartigheid? Je kunt natuurlijk zeggen dat je het niet met je huisdier wil doen in dat lab, maar wel met een muis. Dat is hypocriet, en niet consequent. Maar ik denk dat je in de ethiek ook nooit consequent kunt of moet zijn. Ethiek is geen wiskunde en zeker als het gaat om mensenlevens moet je oppassen met in beton gegoten principes. Er zijn altijd waarden die botsen. Je moet durven die tegen elkaar af te wegen.”
Vuile handen maken als mensen; we ontkomen er niet aan, betoogt Poortman: “Bij elke stap die we zetten op de wereld, laten we een afdruk achter. We zitten overal in te drukken en in te poeren en alles heeft consequenties. Als we koeien hittebestendig maken, heeft dat misschien wel weer gevolgen voor de kalfjes en moeten we daar weer iets mee. Overal waar wij een knopje indrukken, springt een ander knopje omhoog waardoor weer andere problemen ontstaan. Dat is de tragiek van ons mensen, waar we niet aan kunnen ontkomen. Dat maakt het leven zo zwaar, denk ik.”
Hoewel het doel in theorie hetzelfde is, ziet Poortman een wezenlijk verschil tussen veredelen en fokken, en het genetisch aanpassen met CRISP-Cas: “In fokken en veredelen werk je mee met de manier waarop de natuur toch al werkt. Met CRISPR grijp je op een ander niveau in de natuur in. Je manipuleert het begin zo dat er noodzakelijk een andere route naar een uitkomst wordt afgelegd. Bovendien zijn uitkomsten alleen terug te draaien door het DNA opnieuw te manipuleren.” Dat vraagt om behoedzaamheid die goed beargumenteerd moet worden: “Op welke gebieden vinden wij het de moeite waard om moreel vuile handen te maken? Om menselijk lijden te verlichten, wellicht. Om geld te verdienen? Absoluut niet. Om wetenschappelijke nieuwsgierigheid te bevredigen? Wat mij betreft ook niet.”
De actualiteit
Ingrijpen in embryo-DNA: de ontwikkelingen op dit gebied gaan razendsnel, maar het mag (nog) niet. Wat gebeurt er op dit moment in de wereld op internationale conferenties, in het lab en in de voortplantingsindustrie?


