Begraven en cremeren zijn niet altijd vanzelfsprekend geweest. Wat leert de geschiedenis over nieuwe uitvaartvormen als resomeren en humaan composteren?
Het zijn spannende tijden voor de voorstanders van resomeren en humaan composteren. Voor beide innovatieve uitvaartmethoden is de afgelopen jaren hard gelobbyd. Sinds een positief advies van de Gezondheidsraad staat resomeren op de lijst officieel toe te worden gelaten als derde uitvaartmethode, naast begraven en cremeren. Humaan composteren kreeg van diezelfde Gezondheidsraad een negatief advies, maar in de Duitse deelstaat Sleewijk-Holstein werd de techniek onlangs juist legaal gemaakt, als eerste gebied in Europa. Er is verandering op til, zo lijkt.
Toch zal het volgens funerair historicus Wim Cappers nog wel even duren voor de nieuwe uitvaartvormen worden toegestaan, laat staan mainstream worden. “Kijk naar cremeren: sinds Karel de Grote cremeren in het jaar 785 verbood, heeft het tot 1955 geduurd voordat dat weer mocht. De dood is omgeven met emotie en sterke tradities. Veranderingen zijn zeldzaam en aanpassingen in de wet kosten meestal behoorlijk wat tijd. Decennia meestal.”
Memento mori
Cappers neemt ons terug naar de middeleeuwen: een periode waarin men een enorm laconieke houding ten opzichte van de dood had. “Voor middeleeuwers was de dood een onontkoombare gebeurtenis die zo vaak in hun leven voorkwam – mensen leefden korter – dat het veel meer geaccepteerd was dan nu. De kerk stond centraal in de samenleving en was ook letterlijk het centrale punt in de woonplaats van de mensen. Overledenen werden rond dat centrum, op het kerkhof, begraven. Alleen de adel, de geestelijkheid en later de gegoede burgerij kregen na eeuwen lobbyen in de negende eeuw gedaan dat zij zich in de kerk mochten laten begraven. Een graf in de buurt van het altaar was het meest gewild. Hier werd immers het reliek bewaard van een heilige die voor het zielenheil bemiddelde.”
In de tweede helft van de middeleeuwen verschenen er uitbeeldingen van knielende mensen, biddend voor hun ziel, vertelt Cappers. Bij de elite die zich meer met het aardse bestaan bezighield ontstond voor het eerst angst voor de eigen dood. Ging een van hen dood, dan moest hij of zij alsnog de zonden kunnen opbiechten – vooral een plotselinge dood werd gevreesd. “Je ziet dat het sterfbed beangstigend werd. Mensen deden hun best om in de hemel te komen. De waarschuwende Latijnse uitspraak memento mori (‘denk eraan dat je sterfelijk bent’) komt uit die tijd. Het ging niet om het heden, het ging om het hiernamaals, dat in tegenstelling tot het zondige, lekkere leventje hier op aarde, voor eeuwig zou duren.”

Sterfbed volgens Jheronimus Bosch.
Door Jheronimus Bosch - Dit bestand is geëxtraheerd uit een ander bestand, Publiek domein.In die houding komt verandering met de opkomst van het calvinisme. “Volgens die leer had het geen nut te bidden voor je zielenrust. God had alles immers al voorbeschikt; het idee van predestinatie. Dat zorgde ervoor dat de dood ongewis was – je kon er niets aan veranderen en het veranderde het leven eigenlijk in één groot sterven. Het is een houding die je nu nog steeds in Nederland tegenkomt, vooral in de Biblebelt: men gaat gebukt onder de dood.”
Vies en gevaarlijk
Met de Verlichting komt er in die zwaarmoedige houding ook een verandering. Cappers: “Mensen waren natuurlijk nog steeds gelovig, maar tegelijkertijdwerd het acceptabel om geluk na te streven. Dat ging gepaard met vooruitgang in de medische wetenschap: men begon onderzoek te doen naar het uitbannen van ziekte. Men ging experimenteren en er kwam een beweging op van ‘hygiënisten’ die waarschuwden voor het gevaar van lijken. Er werd nog altijd in en om kerken begraven, al had dat voor calvinisten geen religieuze betekenis.”
Mensen waren natuurlijk nog steeds gelovig, maar tegelijkertijd werd het acceptabel om geluk na te streven. Dat ging gepaard met vooruitgang in de medische wetenschap: men begon onderzoek te doen naar het uitbannen van ziekte. Men ging experimenteren en er kwam een beweging op van ‘hygiënisten’ die waarschuwden voor het gevaar van lijken. Er werd nog altijd in en om kerken begraven, al had dat voor calvinisten geen religieuze betekenis.”
De hygiënisten vonden dat echter vies en gevaarlijk. Het risico bestond volgens hen uit ‘miasma’s’, schadelijke smetstoffen die de doden zouden uitwasemen. Ze hadden de klok horen luiden, al wisten ze niet precies waar de klepel hing; nu weten we dat het risico eigenlijk bestaat uit – vooral – bacteriële besmetting. “Vanaf 1829 mag er niet meer in kerken worden begraven. Bovendien moet elke woonplaats van meer dan 1000 inwoners een begraafplaats buiten de bebouwde kom aanleggen. Dat is een direct gevolg van de inzet van de hygiënisten. Een verandering die ruim een halve eeuw daarvoor was ingezet.”
Paradoxaal genoeg zorgt de verbeterende medische kennis in de negentiende eeuw voor een uitbreiding in de gevoelde angst voor de dood. Waar men eerst vooral bang leek voor de eigen dood, gaat men zich nu zorgen maken over ‘de ander’. “Doordat je de dood steeds vaker kunt voorkomen, wordt men banger een dierbare te verliezen. Angst en succes gaan hand in hand”, aldus Cappers.
De dood verdwijnt uit het leven
Eind negentiende, begin twintigste eeuw tekent zich een nieuwe breuk af. De samenleving ontkerkelijkt in toenemende mate en mensen richten zich meer en meer op het aardse bestaan. Er vindt bovendien een sterke trek naar de stad plaats waardoor de band met de graven van overleden voorouders afneemt. “De dood verdwijnt uit het leven en wordt taboe. Het paradijs is op aarde en dat moet je zelf maken.”
Het is in deze tijd dat de crematiebeweging opkomt. “De Duitse industrieel Friedrich Siemens vindt een crematie-oven uit. Deze rechtgeaarde vrucht van de industriële revolutie biedt een oplossing voor het probleem dat het verteren van een begraven lijk simpelweg heel erg lang duurt. Een deel van de weldenkende elite heeft daar wel oren naar. En dus wordt in Nederland in 1874 de Vereeniging tot Invoering der Lijkenverbranding in Nederland opgericht. In eerste instantie zijn ze heel controversieel en krijgen ze geen poot aan de grond. Vuur was immers eeuwenlang geassocieerd met slechte zaken: de hel en het vagevuur. De enige mensen die verbrand werden, werden levend verbrand en waren misdadigers en vermeende heksen. Een ander argument tegen crematie was al die tijd dat je het bewijsmateriaal van een mogelijke moord zou kunnen verbranden.”

Muur met urnen bij crematorium.
iStock, studioportosabbiaToch kreeg de crematiebeweging voet aan de grond. In 1913 werd er bij Driehuis-Westerveld een crematorium gebouwd waar in 1914 het eerste lijk sinds meer dan duizend jaar werd verast. Dat leidde tot commotie en het gebouw ging op slot. Weer een jaar later, in 1915, was de uitkomst van een gerechtelijk proefproces dat crematie niet kon worden verboden, waarna er een gedoogsituatie ontstond. Pas in 1955 werd crematie opgenomen in de Wet op Lijkbezorging als legale uitvaartmethode. Cappers: “Nadat de kerkgenootschappen hun verzet tegen crematie opgaven, ging het in de jaren zestig ineens snel. Er werden in rap tempo crematoria gebouwd en crematie nam sterk toe. In 2003 werden voor het eerst meer dan de helft van de doden gecremeerd. Ruim 125 jaar na het officiële begin van de lobby.”
Heidense praktijken
Cappers wil maar zeggen: je moet van goeden huize komen om aanpassingen te bewerkstelligen in de manier waarop we met onze doden omgaan. “Begraven en cremeren zijn altijd de basis geweest. Voordat het christendom cremeren verbood, was het best gangbaar; het verbod was ook een afzetten tegen heidense praktijken. In die zin was het niet gek dat crematie in een ontkerkelijkte samenleving terugkeerde.”
Volgens Cappers is er dan ook nog een lange weg te gaan voordat resomeren en humaan composteren door het grote publiek omarmd worden. Ook als het straks legale opties zijn.
Na de dood
Hoe we omgaan met de dood verandert mee met de samenleving. In deze serie lees je over nieuwe uitvaartvormen, duurzame keuzes en de ideeën en gevoelens die daarachter schuilgaan. Wat zeggen resomeren, natuurbegraven en humaan composteren over hoe we nu én straks afscheid nemen?

