IJsland is een gidsland op het gebied van roken. Zo’n 50 jaar geleden rookte de helft van de jongeren; nu gaat het om enkele procenten. Wat kan Nederland leren van de eilandbewoners?
Rond 1970 zit een eigenwijs IJslands jongetje op de stoep van zijn middelbare school in Reykjavik. Twaalf jaar is Ásgeir Rúnar Helgason en hij is smoorverliefd op een meisje dat één jaar ouder is. Er is één probleem: zij is al verliefd op een oudere, rokende jongen. Het meisje rookt met hem mee. De 12-jarige Helgason is ten einde raad. Hij kan maar één conclusie trekken: om een kans te maken bij het meisje van zijn dromen, zal hij ook moeten gaan roken. Hij steekt op de stoep een sigaret op.
Tot zijn grote blijdschap vertrekt de oudere jongen naar een andere school, waarop Helgason enkele innige maanden beleeft met zijn droommeisje. De liefde blijkt echter van korte duur, want het meisje verhuist naar een andere stad. De jongen blijft moederziel alleen achter, met zijn sigaret. Om niet alleen te hoeven roken, overtuigt hij zijn vriendjes. Aan het einde van het jaar rookt één op de drie in zijn klas.
“Het vereiste slechts één rotte appel zoals ik om zoveel kinderen verslaafd te maken”, zo blikt de nu 68-jarige Helgason terug. Hij is gezondheidswetenschapper aan de Reykyavik Universiteit en verbonden aan de Icelandic Cancer Society Krabbameinsfélagid. “Op de middelbare school werd ik zelfs de belangrijkste persoon in de rooklobby. Het lukte me om een rookruimte te krijgen, zodat we niet meer naar buiten hoefden. De rest van mijn leven probeerde ik mensen van het roken af te krijgen.”
Rond die tijd ziet Helgason sowieso veel rokende jongeren. Op straat, tijdens het uitgaan, bij de sportclub en thuis. In 1975 blijkt uit een groot bevolkingsonderzoek in Reykyavik hoe dramatisch de situatie is. Bijna de helft van de jongeren in de leeftijd 15 en 16 jaar rookt. Tegenwoordig is dat zo’n twee tot drie procent, schat Helgason.
Van klas naar klas
“Het was echt beangstigend”, zegt hij over het bevolkingsonderzoek van 1975. “De landelijke overheid en gemeenten staken veel geld in preventieprogramma’s en vroegen de Icelandic Cancer Society om te helpen. De overheid, gezondheidsinstanties en wetenschappers maakten de afspraak: dit wordt geen éénmalige campagne, maar een project voor twintig jaar.”
Als onderdeel van het plan werden mensen getraind, die ieder jaar elk klaslokaal bezochten. Zo werd elke IJslandse leerling tussen de 11 en 16 jaar jaarlijks op het hart gedrukt hoe slecht roken is. Ook werden films getoond met de schadelijke gevolgen van roken. De aanpak had succes: steeds minder jongeren rookten, een daling die tot ongeveer 1990 aanhield. “Toen stagneerde het, omdat de kernrokers niet stopten. Het waren vaak kinderen uit gebroken gezinnen, met zware levens: roken was voor hen een vlucht.”
In nieuwe programma’s werd de gezondheidsschade niet benadrukt, maar werd roken belachelijk gemaakt, onder andere met sarcastische boodschappen. Wie zou, met zijn gezonde verstand, twintig keer per dag een rokend huis binnengaan? “Want dat is wat je feitelijk doet”, duidt Helgason. “Deze benadering werkte een paar jaar, maar het succes nam af en de kosten waren hoog.”
Zo rond de eeuwwisseling werd daarom de moderne IJslandse aanpak geboren, geroemd in de rest van de wereld. Wetenschappers van de Universiteit van Reykjavik ontwikkelden een nieuw model, waarbij elk jaar de helft van de scholen in IJsland werd bezocht. De leerlingen vulden een zeer uitgebreide vragenlijst in en zeer kort daarna kwamen onderzoekers terug naar school, om de resultaten te presenteren. “Je school, regio en gemeenschap werden daarin vergeleken met andere groepen. Iedereen die zich verantwoordelijk voelde of zorgen maakte, werd uitgenodigd: denk aan schoolbesturen, leraren, ouders en sporttrainers. Was de score op roken relatief slecht, dan was het aan hen om een plan te bedenken, om de situatie in hun eigen omgeving te verbeteren.”

Reykjavik. De IJslandse aanpak tegen roken wordt wereldwijd geroemd.
iStock, VictorHuangDe aanpak bleek een schot in de roos. De betrokken volwassenen spraken jongeren aan op het roken, of het nu bij school, thuis, op straat of op de sportclub was. “Het meest briljante aan de aanpak was dat er meer muziekactiviteiten kwamen, er werden meer sportvelden gebouwd en elk kind kreeg een sportkaart, waarmee het één sport kon kiezen en die gratis kon doen. Veel kinderen zijn daardoor al vier of vijf dagen aan het sporten. Zo kwam het niet alleen op ouders aan, maar raakte iedereen betrokken. Het was een lange weg, waarbij zoveel verschillende organisaties en mensen betrokken zijn: ouders, sportclubs, politici, wetenschappers, gezondheidsorganisaties, noem maar op.”
Helgason droeg zelf ook zijn steentje bij: hij was een van de oprichters van de tobacco quit line, een telefoonnummer dat rokers kunnen bellen voor hulp om te stoppen. “Bij mijn weten was IJsland het eerste land met zo’n lijn. Je kon op het hele eiland bellen voor hulp. Toen ik naar Zweden verhuisde gebruikte ik die ervaring om de eerste stoplijn op het Europese vasteland te starten. Daarna bouwden we een Europees netwerk van stoplijnen. Het nummer van de stoplijnen kwam ook op tabaksverpakkingen.”
Toepasbaar in Nederland?
IJsland is dunbevolkt, het is een eiland en kent een andere cultuur en geschiedenis dan Nederland. Kan je de IJslandse methode zomaar hier toepassen? Helgason: “Absoluut, waarom zou het niet werken?” Hij begint te lachen. “Ik weet dat Nederlanders niet graag van een ander horen wat ze moeten doen, maar ze kunnen van ons leren.”
Het Trimbos deelt die mening. Het kennisinstituut voor mentale gezondheid en middelenpreventie ondersteunt inmiddels 60 gemeenten om een Nederlandse variant van het IJslandse model in te zetten, vertelt medewerker Eefje Vercoulen. “We werden in 2017 door het Nederlands Jeugdinstituut NJi gewezen op een artikel van De Volkskrant over hoe IJsland middelengebruik drastisch terugdrong. Het inspireerde ons. Samen met het NJi, negen gemeenten en IJslandse onderzoekers startten we daarom in 2018 een driejarige pilot."
Sinds 2022 is de aanpak landelijk uitgerold onder de naam Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO). Gemeenten krijgen ondersteuning van het Trimbos-instituut, waaronder een vaste adviseur, trainingen, een implementatiekit en mogelijkheden om kennis uit te wisselen met andere gemeenten. Net als in IJsland wordt gewerkt met regelmatige surveys, in samenwerking met de GGD. De resultaten van de surveys zijn leidend. De cijfers worden door gemeenten en GGD besproken met onder andere scholen; jongeren-, sport-, zorg- en cultuurorganisaties; geloofsgemeenschappen; werkgevers en ouders. Zij bedenken gezamenlijk plannen, die middelengebruik moeten terugdringen.

Een groter sport- en cultuuraanbod voor jongeren maakt deel uit van de IJslandse aanpak tegen roken.
FreepikVercoulen legt uit dat de IJslandse methode – naast sport en cultuur- ook een sterk gemeenschappelijk karakter heeft. Het draait om samenwerking tussen organisaties en versterken van relaties, zoals die tussen ouders en kinderen, tussen ouders onderling en tussen ‘thuis en school’.
Op dit moment loopt er een promotieonderzoek naar de effecten van OKO op middelengebruik en mentale gezondheid. “Dat zal ons meer inzicht geven in de effectiviteit. In het algemeen zien we wel meer samenwerking in gemeenten en meer activiteiten, zoals meer opvoedondersteuning voor ouders, verbeterd vrijetijdsaanbod en lokale initiatieven zoals een vrijetijdspas voor jongeren.”
Deelnemende gemeenten tekenen een contract van minimaal vier jaar. “Het absolute minimum, want IJsland leert ons dat dit een aanpak van de lange adem is. Ook daar duurde het lang voordat er resultaat was. Bijna alle gemeente die tegen het einde van hun contract lopen hebben dat inmiddels verlengd. Wat mij betreft rollen we de aanpak op termijn in het hele land uit.”
Binnenland, buitenkans
Grotere economische groei in China, minder obesitas in Japan, minder rokers in IJsland. Wat kan Nederland leren van succesverhalen uit binnen- en buitenland?

