China scoort erg slecht op het gebied van mensenrechten. Economisch levert het land juist topprestaties, waarmee het de bevolking uit de armoede trok en van China een wereldmacht maakte. Kan Europa hiervan leren?
Frank Pieke is net afgestudeerd als hij voor het eerst naar China gaat, om er te werken voor het taleninstituut van de Universiteit van Peking. Het is 1982 en steeds als hij op zijn fiets door de Chinese hoofdstad rijdt kijkt hij zijn ogen uit. De stad is dan al enorm, met bijna tien miljoen mensen.
Vanuit het raam van zijn studentenflat kan hij soms maar een kilometer ver kijken, vanwege de smog. De lucht is zo vies, omdat de huizen verwarmd worden met kolen van slechte kwaliteit. Veel Pekinezen ontwikkelen daardoor in de winter bronchitis en spugen zich een slag in de rondte, wat ervoor zorgt dat op de stoep dikke klodders spuug liggen.
Pieke is onder de indruk van de brede socialistische lanen en wegen van Peking, sterk beïnvloed door de Sovjetarchitectuur. Ze zijn kaarsrecht en vaak tientallen meters breed. Iedereen loopt in blauwe of groene kleding, omdat dit het enige is wat verkrijgbaar is. De Chinezen mogen geen privéauto hebben, dus zijn de lanen voor het grootste deel leeg, op bussen, vrachtwagens, taxi’s en overheidsauto’s na. “De fietspaden waren daardoor helemaal vol met fietsers”, herinnert de emeritus hoogleraar Modern China Studies aan de Leidse Universiteit zich.
De (echte) Grote Sprong Voorwaarts
China was in die jaren door het grote aantal analfabeten ook één van de slechtst presterende landen op het gebied van geletterdheid. Veel belangrijke producten, zoals tarwe, rijst, soja, katoen, bakolie en vlees waren gerantsoeneerd, omdat er simpelweg te weinig van was, legt Pieke uit. 97 procent van de bevolking leefde in 1981 in extreme armoede; tegenwoordig is dat minder dan 1 procent, volgens cijfers van dataplatform Our World in Data. Ondervoeding en analfabetisme zijn sterk teruggedrongen.
Dat is voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door de groei van de economie. Gemeten naar het aandeel van het BBP van de hele wereld is het aandeel van China sinds 1980 ruim zes keer zo groot (van 2,7 procent naar 16,9 procent).

Gemeten naar het aandeel van het BBP van de hele wereld is het aandeel van China sinds 1980 ruim zes keer zo groot.
iStock, NikadaOm die sprong voorwaarts te begrijpen, moeten we achteruitkijken. China kende een aantal belangrijke hervormingen. Zo werd in 1978 besloten dat boeren een afgesproken deel van hun oogst aan de staat moesten leveren, maar ook producten mochten verkopen op de markt. Daardoor stegen productie en inkomen en namen armoede en ondervoeding sterk af. De economie maakte stapjes van een centraal (door de overheid) geplande economie naar een markteconomie.
In de jaren tachtig zette die ontwikkeling door. De grotere en succesvolle bedrijven bleven van de staat. “Maar ik merkte tijdens mijn PhD-onderzoek in 1988 al dat er kleine bedrijfjes werden toegestaan, eerst op het platteland en daarna ook in de steden. Zo vercommercialiseerde China aan de marge. De bedrijfjes bleven wel vaak van een staatsbedrijf of overheidsorgaan, maar de ondernemer had een contract waarbij deze voor een periode recht had op een deel van de winst.”
In de jaren negentig werd “de hele staatssector overhoop gehaald”, gaat Pieke verder. “Vele honderdduizenden staatsbedrijven werden doorgelicht. De zwakkere en kleine bedrijven werden geprivatiseerd of gingen failliet.”
Multinationals deels toevallig ontstaan
Pieke doet zijn verhaal vanuit een café aan de Leidse gracht. Hij legt zijn telefoon op tafel. Het is een smartphone van Oppo, een grote Chinese producent van consumentenelektronica. Oppo is officieel opgericht in 2001, maar had al een voorloper in een bedrijf in audioapparatuur. “Oppo is ontstaan uit zo’n klein bedrijf uit de jaren tachtig. Een zeer lokaal initiatief dat gebruikmaakte van de openstelling van de markt en de investering van buitenlands kapitaal en dat uiteindelijk uitgroeide tot een multinational.” Ook bekende bedrijven als Tencent, Alibaba en BYD zijn in de jaren negentig opgericht, legt Pieke uit.
In het Westen leeft soms het idee dat de Chinese economie zo sterk werd door de sturing van de overheid, stelt Pieke. Maar volgens hem was er niet altijd sprake van een ‘superstaatsplan’. Hij legt uit dat de markthervormingen in de jaren tachtig en negentig beleid waren, maar zonder dat er een strak plan of nauwkeurig uitgekiende strategie achter zat. “Veel van de nu bekende Chinese firma’s waren gewoon privébedrijven, die zich autonoom ontwikkelden, in het begin vaak als toeleveranciers voor buitenlandse fabrieken in China. Het gebeurde organisch.”
Pas in de laatste tien tot vijftien jaar ziet hij een strakkere overheidshand, met ‘een meer gedetailleerde planning’. “Dat betekent dat specifieke taken of doelen worden toegewezen aan bepaalde sectoren, al dan niet gecoördineerd of afgedwongen door middel van bestuurlijke richtlijnen, financiële prikkels of specifieke investeringen.”

Veel bekende Chinese bedrijven werden in de jaren negentig van de vorige eeuw opgericht.
iStock, VitalyEdushGrote meerjarenplannen
Pieke stelt dat de Chinese overheid pas ruim na de jaren negentig de grip op de economie écht verstevigde, door via grote meerjarenplannen te werken naar een stip aan de horizon. En daarin zit ‘m direct de les voor Europa, duidt de Leidse hoogleraar.
In het lange-termijnplan voor de ontwikkeling van wetenschap en technologie van 2006 hechte de Chinese partij steeds meer belang aan het strategisch ontwikkelen van China’s technologische innovatiebasis. Het model van de maakindustrie en export, dat heel belangrijk was voor China’s economische groei tot die tijd, zou niet eeuwig houdbaar zijn. “Dat groeimodel zorgde eerder voor zo’n 10 tot 12 procent economische groei op jaarbasis, maar dat zou niet blijven. Er was op termijn een vernieuwing van de economie nodig.”
Europa moet meer macht naar zich toetrekken, ten faveure van een algemeen belang
Ook 2015 was een belangrijk jaar. Toen lanceerde China de strategische industriële ontwikkelingsvisie Made in China 2025. Daarin stond dat China zich wilde ontwikkelen van werkplaats van de wereld (goedkope arbeid en productie) naar een leidende wereldmacht op hightech-gebied in 2025. Zo moesten forse investeringen in Research & Development ervoor zorgen dat China een wereldmacht werd, minder afhankelijk van buitenlandse technologie. Ook werden een paar kernsectoren geselecteerd, als hart van de toekomstige economie. Denk aan robotica, lucht- en ruimtevaart, nieuwe energie en elektrische voertuigen, halfgeleiders en medische apparatuur. De overheid stimuleerde sectoren onder andere met subsidies, innovatiecentra en leningen. “Ook Europa heeft een plan nodig over waar het over 15 of 25 jaar wil staan”, meent Pieke.
Voor een dergelijke Europese toekomstvisie hoeft Europa volgens Pieke niet ver te zoeken; het ligt er al, in het rapport uit 2024 van de voormalig voorzitter van de Europese Centrale Bank Mario Draghi. In opdracht van De Europese Commissie stelde hij, samen met een grote groep experts en wetenschappers, instellingen en stakeholders, een plan op om de Europese economie in de toekomst concurrerend te houden met China en Amerika. Een Europees vergezicht, vergelijkbaar met hoe de Chinezen dat hebben. “Jammer genoeg zie ik nog maar weinig van het plan in de praktijk.”
Gemeenschappelijk belang voorop
Is zo’n groots plan ook niet veel makkelijker uit te voeren in het autocratische China dan in het democratische Europa? Zeker, denkt Pieke: in China is de wil van de staat veel dwingender dan in Europa. “Democratie is een groot goed, maar we slaan door in Europa. We kloppen onszelf op de borst over onze Europese waarden en regelgeving, maar dreigen daardoor een krimpend eiland van zelfgenoegzaamheid te worden.”
Het gaat daarbij om de vraag in hoeverre je in een democratie de nadruk wil leggen op het algemene belang. Met andere woorden: hoeveel rekening houdt een staat met elk deelbelang en in hoeverre maakt de staat een keuze in het gezamenlijk belang van alle burgers. Bijvoorbeeld door een industriële toekomstvisie uit te voeren, ergens militaire oefeningen te doen of woningen te bouwen.
“Op dit continent kent elk micro-onderwerp een eigen actiegroep, die ook nog eens heel veel rechten heeft. Een voorbeeld: natuurbescherming is belangrijk en actievoerders hebben het beste voor met de wereld, maar je kan niet met elke vlinder of dassenburcht rekening houden. Europa moet meer macht naar zich toetrekken, ten faveure van een algemeen belang. Alleen dan kunnen we in de toekomst een onafhankelijke wereldmacht zijn die niet naar de pijpen van Amerika of China hoeft te dansen.”
Binnenland, buitenkans
Grotere economische groei in China, minder obesitas in Japan, minder rokers in IJsland. Wat kan Nederland leren van succesverhalen uit binnen- en buitenland?

