Waar veel kennisinstellingen kozen voor het gemak van de cloud, hield Nikhef, het instituut van deeltjesfysici en internetpioniers, standvastig de ICT-diensten in eigen beheer. Dat betaalt zich nu uit.
Op het Amsterdam Science Park, naast het Centrum Wiskunde en Informatica waar de eerste Europese internetverbinding ooit werd gemaakt, vind je het Nationaal instituut voor subatomaire fysica Nikhef, dat een van de allereerste websites ter wereld had. Bij Nikhef worden de elementaire bouwstenen van het universum onderzocht. Dat gebeurt onder meer met behulp van deeltjesversneller Large Hadron Collider (LHC) bij instituut CERN in het Zwitserse Genève. Nikhef speelt een belangrijke rol in drie experimenten die deel uitmaken van de LHC, een soort gigantische microscoop waarmee je botsingen van deeltjes kunt meten.
“CERN produceert elk jaar vele tientallen petabytes (1 petabyte = 1 miljoen gigabyte, red.) aan gegevens”, vertelt Ronald Starink, die als technisch groepsleider bij Nikhef aan het hoofd van de ICT-afdeling staat. “CERN slaat zelf een volledige kopie op van die data, maar verspreidt ook een kopie over de hele wereld. Een deel daarvan staat hier in Amsterdam in ons eigen datacentrum.” Nikhef beschikt zelfs over twee datacentra: een relatief kleine voor eigen gebruik, en een grotere, waar partijen als internetproviders hun netwerken met elkaar kunnen verbinden. “Zie het als een soort spoorknooppunt, waarmee datapakketjes van de ene op de andere dienst kunnen overstappen.” De datacentra bevinden zich op de eerste en tweede verdieping van het gebouw, veilig tegen overstromingen. De warmte in het datacentrum – goed te voelen als je er even binnenloopt – wordt door een installatie afgezogen om er de rest van het gebouw én een naastgelegen studentenflat mee te verwarmen. Daarvoor gaat het opgewarmde koelwater in een warmte-koudeopslag in de grond. Koud water uit de bodem wordt juist gebruikt om mee te koelen.
Netwerk
Deeltjesonderzoek is dus een zeer data-intensieve activiteit. Starink: “Een analyseopdracht bestaat typisch uit honderden of duizenden mini-rekenopdrachten. Die staan soms wel 24 uur lang op de server te stampen.” Deeltjesonderzoek begon al in de jaren vijftig, toen er nog fotografische platen werden gebruikt om deeltjes te kunnen waarnemen. Vanwege de grote schaal werd al snel ingezet op computers. En aangezien de deeltjesfysici overal ter wereld werken, werd ook al snel bedacht dat het handig zou zijn om over grote afstanden informatie te kunnen uitwisselen. Vanaf de jaren tachtig was er daarom al een netwerkverbinding tussen CERN en Nikhef, dus nog voordat het wereldwijde web ontstond in de jaren negentig (ook een CERN-uitvinding).

Nikhef werkt mee aan onderzoek met deeltjesversneller LHC bij CERN in Zwitserland.
CERNNikhef beschikte dus al over internet en servers voor dataopslag, nog voordat grote commerciële partijen dit gingen aanbieden. Datzelfde gold voor e-mail. Starink: “Vroeger had je geen keuze om diensten uit te besteden, dus ook e-mail deden we gewoon zelf.” Maar zo’n vijftien jaar geleden begonnen partijen als Google en Microsoft naast kantoorsoftware ook clouddiensten aan te bieden. Je hoeft software voor bijvoorbeeld dataopslag of mail dan niet meer zelf te beheren, maar je brengt het onder bij een cloudleverancier die het in een datacentrum ergens ter wereld laat draaien. Veel onderzoeksinstellingen kozen voor zo’n leverancier, maar Nikhef bleef alles zelf doen. “We hebben altijd een langetermijnvisie gehad voor deelname aan experimenten voor deeltjesonderzoek en willen dat ook de ICT-ondersteuning aansluit bij die langetermijncommitments. Afhankelijk zijn van een externe partij betekent dat je de sleutels tot je eigen kennis en je eigen data uit handen geeft.” Bovendien zou het, vanwege die vele petabytes die er bij het Nikhef doorheen gaan, extra duur zijn om dat in een externe cloud op te slaan.
Mailserver
Die digitale onafhankelijkheid is ook bij Nikhef niet altijd vanzelfsprekend, geeft Starink toe. Niet iedereen is bijvoorbeeld te spreken over mailprogramma Thunderbird, om maar wat te noemen. Vanwege het Choose your own device-beleid kun je er gewoon op een Macbook werken, als je dat zou willen. En in coronatijd is Nikhef volop gaan videobellen via het (commerciële) Zoom. Dat werkt toch wel erg makkelijk, vindt Starink. Alternatieven, zelfs Microsoft Teams, vindt hij minder goed werken. Het zelf beheren van een e-mailserver is in principe geen ingewikkelde taak, maar toch heeft ook Nikhef een onderdeel ervan uitbesteed. “De laatste vijftien jaar is er een stortvloed aan spam gekomen en moet je veel maatregelen treffen om die spam te verminderen en om als een betrouwbare mailserver bekend te blijven. Daarom gebruiken we een mailfilter, die controleert op spamkenmerken, van een externe, Nederlandse partij.”
Maar het grootste nadeel van het beheren van je eigen mailserver is dat er geen integratie is met andere diensten, vertelt Starink. “Bij Microsoft 365 zijn videovergaderen, agenda, e-mail en bestanden mooi geïntegreerd; je kunt dus heel makkelijk vanuit Teams een bestand vinden en delen.” Ondanks Nikhefs zelfredzaamheid kijkt de organisatie dan ook met veel belangstelling naar de pilot die ICT-organisatie SURF momenteel uitvoert met Nextcloud, dat je als een Europees opensourcealternatief voor Microsoft 365 kunt zien. Dat zou bestandsuitwisseling en samenwerking in een geïntegreerde omgeving makkelijker moeten maken.
Starink: “Veel andere kennisinstellingen keken ons lang meewarig aan en zeiden: waarom maken jullie het jezelf zo moeilijk? Nou, wij doen dat omdat we niet een fuik in willen zwemmen, alle data uit handen willen geven, en onze expertise op dit terrein willen kwijtraken.” Hij merkt nu weinig meer van die meewarigheid. “Die instellingen zijn zich het afgelopen jaar rot geschrokken, zeker sinds Trump aan de macht is. Met terugwerkende kracht krijgen we toch een beetje gelijk. Dus ik ben blij dat we altijd onze eigen koers zijn blijven varen.”
Vrij werken
Steeds meer organisaties proberen hun afhankelijkheid van Big Tech te verkleinen. Hoe verloopt die zoektocht naar een cloud met meer zeggenschap?

